Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
18-03-2014
Zaaknummer
11-4874 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen. Aan appellante is van opvang verleend in het WOU-huis. Geen noodzaak tot verdergaande opvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/84
AB 2014/195

Uitspraak

11/4874 WMO

Datum uitspraak: 26 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 juli 2011, 10/4377 en 11/688 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante) mede namens haar dochter [S.]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2014. De zaak is gevoegd behandeld met zaak 11/2908 WWB. Voor appellante is mr. Klaas verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Veldstra. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, afkomstig uit Estland, verblijft sinds 2001 met haar kinderen [A.] en [T.] in Nederland. Het gezin heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Dochter [S.] is in 2002 geboren en heeft een ernstige ziekte, het TAR-syndroom. Deze ziekte gaat gepaard met bloedarmoede, een tekort aan bloedplaatjes en afwezige spaakbenen en ellepijpen.

1.2.

In verband met geweld in de relationele sfeer hebben appellante en haar kinderen in 2003 en 2004 in verschillende ‘Blijf van mijn lijfhuizen’ verbleven. Tot 31 oktober 2010 verbleven appellante, [A.] en [S.] in [naam opvanghuis] te [woonplaats] en ontvingen zij leefgeld. [naam opvanghuis] heeft appellante aangezegd dat zij de opvang met haar kinderen dient te verlaten, omdat de ondertoezichtstelling van [S.] niet wordt verlengd. Aansluitend is door de gemeente Amsterdam op grond van humanitaire redenen opvang geregeld voor appellante en [S.] in een woning van de Stichting Werkgroep Opvang Uitgeprocedeerden (WOU-huis). De Stichting wordt gefinancierd door het gemeentelijk Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving. Appellante ontvangt € 280,- leefgeld per maand.

1.3.

Op 16 juni 2010 heeft appellante het college verzocht om toelating tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij besluit van 4 november 2010 heeft het college het verzoek van appellante en [S.] om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 21 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 november 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep van appellante en haar dochter [S.] tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De opvangsituatie in het WOU-huis wordt door de rechtbank niet ideaal geacht, maar is niet dusdanig dat hierdoor de normale ontwikkeling van [S.]’s privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt. Daarbij is van belang dat appellante en [S.] samen in een aparte kamer verblijven van ongeveer 15 m2 en dat het WOU-huis beschikt over twee toiletten, een douchevoorziening, een keuken alsmede een balkon. [S.] gaat naar school, waardoor zij niet zeven dagen per week 24 uur per dag in het WOU-huis verblijft maar ook geruime tijd buitenshuis doorbrengt. Zij kan met hulp wel de trap op en af. Appellante heeft geen recente verklaringen van een huisarts of maatschappelijk werker of andere mogelijke betrokkenen ingebracht en heeft haar stelling dat de situatie de grens van het onhoudbare en onleefbare nadert evenmin met andere bewijsstukken gestaafd. De opvangsituatie van appellante en [S.] is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het college heeft toegezegd dat mocht de huidige opvang wegvallen, de situatie van appellante en [S.] opnieuw wordt beoordeeld.

3.1.

Appellante en [S.] hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellante is de opvang aan te merken als opvang verleend in het kader van de Wmo. Daarnaast is de opvang in het WOU-huis volgens appellante niet adequaat, gelet op de handicap van [S.].

3.2.

In verweer heeft het college gewezen op de inmiddels gewijzigde feitelijke situatie, in die zin dat is gebleken dat appellante identiteitsfraude heeft gepleegd. Appellante heet [E.K.] en [S.] heet [S.K.] In verband met deze identiteitsfraude hebben appellante en [S.] de opvang per september 2011 verlaten en is een nieuwe aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ingediend. Deze aanvraag is op

14 november 2011 buiten behandeling gesteld en sindsdien verblijft de familie in een asielzoekerscentrum in Vught. Volgens het college rijst hierdoor de vraag of appellante nog procesbelang heeft in hoger beroep.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de Raad is allereerst aan de orde geweest de vraag of de door het college in verweer aan de orde gestelde - maar niet met stukken onderbouwde - identiteitsfraude van appellante en [S.] relevant is voor de vraag of appellante procesbelang heeft in hoger beroep. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe dat - los van de vraag of er sprake is geweest van identiteitsfraude - niet aannemelijk is geworden dat appellante in hoger beroep en eiseres in beroep niet dezelfde personen zijn. De Raad gaat er daarom vanuit dat appellante degene is wiens aanvraag om toelating tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wmo is afgewezen.

4.2.

Met betrekking tot [S.] stelt de Raad vast dat zij, gelet op haar leeftijd, behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven. Appellante en [S.] zijn ten tijde van belang opgevangen in het WOU-huis in [woonplaats], dat uit het gemeentelijk Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving per maand een bijdrage in de kosten voor de opvang ontving, bestaande uit € 200,- voor onderdak, € 175,- voor levensonderhoud van appellante en € 45,- voor het levensonderhoud van [S.]. Deze aan appellante en [S.] verleende opvang dient onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 mei 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6239) te worden aangemerkt als verleende opvang ingevolge een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat gebaseerd is op artikel 20, in verbinding met artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wmo.

4.3.

Nu appellante en [S.] ten tijde van belang zijn opgevangen en de besluitvorming daartoe in het kader van de Wmo heeft plaatsgevonden, ziet de Raad aanleiding om het bestreden besluit op te vatten als een weigering van het college om de aan appellante en [S.] geboden opvang uit te breiden in de door hen gewenste vorm. Namens appellante is in dit verband naar voren gebracht dat de opvang in het WOU-huis niet geschikt is voor [S.]. Er zijn namelijk geen aanpassingen gemaakt, als gevolg waarvan [S.] niet zelfstandig gebruik kan maken van de douche of het toilet. Ook is het huis erg gehorig, waardoor [S.] vaak wakker wordt gehouden door het lawaai van medebewoners. Omdat de deur niet op slot kan, kan er altijd iemand de kamer van appellante en [S.] binnenlopen.

4.4.

De Raad volgt appellante niet en overweegt daartoe het volgende. Voor zover de voor appellante en [S.] in de periode in geding beschikbare opvang in [naam opvanghuis] en vervolgens in het WOU-huis niet in alle opzichten geschikt voor [S.] was, kan in elk geval op grond van de op haar betrekking hebbende medische gegevens en de overige omstandigheden niet gezegd worden dat de weigering van het college om appellante en [S.] toe te laten tot de door haar verzochte opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van de toegang en de particuliere belangen van appellante en [S.] om wel toegelaten te worden tot de door hen gewenste vorm van maatschappelijke opvang. Er bestond daarom ten tijde hier in geding geen noodzaak tot verdergaande opvang.

4.5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Er is daarom geen grond voor schadevergoeding.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en
D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) D. Heeremans

NW