Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:86

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
13-1960 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WAZ-uitkering. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1960 WAZ

Datum uitspraak: 15 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 februari 2013, 11/1438 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.M. Seriese, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Seriese. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was voor 16 uur per week in loondienst werkzaam als klinisch psycholoog in een ziekenhuis in Hilversum. Op 15 januari 1997 is hij uitgevallen voor deze werkzaamheden vanwege psychische klachten. Naast zijn werk in het ziekenhuis was appellant 24 uur per week werkzaam in zijn eigen praktijk als psycholoog/psychotherapeut. Met ingang van
15 januari 1998 heeft het Uwv appellant een uitkering toegekend op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij afzonderlijke besluiten van respectievelijk 2 en 29 september 2010 heeft het Uwv bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) van appellant met ingang van
1 januari 2005 tot 1 januari 2009 wordt herzien in verband met inkomsten uit arbeid en dat appellant een bedrag van € 95.935,26 aan onverschuldigd betaalde uitkering moet terugbetalen. Vervolgens heeft het Uwv, rekening houdend met het door appellant ingevulde formulier Inkomens- en vermogensonderzoek, bij besluit van 19 januari 2011 een terugbetalingsregeling vastgesteld.

1.3. Bij besluit van 29 april 2011 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 2 en 29 september 2010 en 19 januari 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard. Van appellant wordt teruggevorderd de uitkering die het Uwv over de periode van 1 januari 2005 tot
1 januari 2009 te veel heeft uitbetaald tot een bedrag van € 84.571,25.

1.4. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het Uwv het besluit van 29 april 2011 heroverwogen. Bij besluit van 3 oktober 2012 is nader vastgesteld dat appellant over de boekjaren 2005, 2006 en 2007 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is te beschouwen in het kader van de WAZ (naar AAW-normen), waarbij de uitkering, gelet op de inkomsten en onder toepassing van artikel 58 van de WAZ, niet tot uitbetaling komt. Over het boekjaar 2008 is appellant voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt te beschouwen in het kader van de WAZ (naar AAW-normen), waarbij gelet op de inkomsten aanleiding bestaat de uitkering onder toepassing van artikel 58 van de WAZ uit te keren als ware appellant 25 tot 35% arbeidsongeschikt. De WAO-uitkering over de jaren 2005 tot en met 2008 blijft ongewijzigd gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.5. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2012 bepaald dat de WAZ-uitkering van appellant over de jaren 2005 tot en met 2008 wordt teruggevorderd tot een bedrag van
€ 44.792,10 bruto.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 29 april 2011 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, het beroep tegen de besluiten van 3 en 16 oktober 2012 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat appellant wist, dan wel redelijkerwijs kon worden geacht te weten dat de inkomsten uit zijn arbeid als zelfstandige van invloed konden zijn op het recht op of de hoogte van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, dat de toepassing van artikel 58 van de WAZ met terugwerkende kracht niet in strijd is met het rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel en dat de omstandigheid dat het Uwv onnodig enige tijd heeft laten verstrijken alvorens tot anticumulatie en terugvordering over te gaan op zichzelf geen dringende reden oplevert om de terugvordering te matigen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant bestreden dat hij redelijkerwijs had kunnen weten dat hij teveel uitkering ontving, aangezien hij vanaf het moment dat hem uitkering is verleend zijn jaarrekeningen op verzoek van het Uwv heeft overgelegd. Hij stelt zich primair op het standpunt dat hij tot geen enkele terugbetaling verplicht is nu het Uwv dermate lang over de besluitvorming heeft gedaan dat de uitkering niet met terugwerkende kracht kan worden teruggevorderd.

3.2.Voorts stelt appellant dat de vordering gedeeltelijk is verjaard. Nu het eerste besluit over herziening en terugvordering van teveel betaalde uitkering dateert van 2 september 2010, is de vordering voor zover die betrekking heeft op de periode van 1 januari 2005 tot 2 september 2005 van rechtswege vervallen, aldus appellant.

3.3.

Subsidiair is appellant van mening dat de hoogte van de terugvordering niet correct is berekend. Er wordt een onevenredig hoog bedrag teruggevorderd aan AAW/WAZ-uitkering, terwijl hiervoor geen rechtvaardiging in de toewijzing is te vinden. Verder is de overhevelingstoeslag van 1,9% ten onrechte niet opgenomen in de hoogte van het maatmanloon, aldus appellant.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit de bewoordingen van artikel 58 van de WAZ vloeit naar het oordeel van de Raad voort dat het Uwv, indien het Uwv vaststelt dat aan de in artikel 58, eerste lid, van de WAZ opgenomen voorwaarden is voldaan, verplicht is om over te gaan tot anticumulatie. De bewoordingen, doel en strekking van dit artikel staan er in beginsel niet aan in de weg dat dit artikel met terugwerkende kracht wordt toegepast.

4.2.

Het gestelde in 4.1 laat naar het oordeel van de Raad - zie onder andere de uitspraak van de Raad van 21 november 2008, LJN BG5996 - onverlet dat de toepassing van artikel 58 van de WAZ onder omstandigheden in strijd kan zijn met ongeschreven rechtsregels, zoals het beginsel van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. De Raad kan zich echter in het onderhavige geval niet vinden in de stelling van appellant dat het beginsel van de rechtszekerheid onderscheidenlijk het vertrouwensbeginsel zich in zijn geval verzet tegen toepassing van artikel 58 van de WAZ.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat appellant zowel uit het toekenningsbesluit van de AAW/WAO-uitkering als uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 29 september 1999 had kunnen afleiden dat het Uwv er bij de berekening van de uitkering, al dan niet ten onrechte, van uitging dat hij zijn werkzaamheden als zelfstandige geheel had gestaakt en dat hem daarom een aanvullende AAW-uitkering werd toegekend. Gezien de hoogte van de inkomsten uit zijn onderneming had appellant kunnen en moeten beseffen dat hij daar geen recht op had.

4.4.

Vervolgens heeft appellant het Uwv desgevraagd regelmatig jaarstukken met betrekking tot zijn eigen praktijk toegezonden. Uit de omstandigheid dat het Uwv geruime tijd geen uitsluitsel heeft gegeven over de invloed van de door appellant als zelfstandige genoten inkomsten op zijn uitkering, mocht appellant niet een in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat de inkomsten geen gevolgen voor de hoogte van zijn uitkering zouden hebben. Een verzekerde als appellant, die volledig arbeidsongeschikt is bevonden en die niettemin zijn werkzaamheden - al dan niet in gewijzigde vorm of omvang - voortzet, dient er reeds om die reden op bedacht te zijn dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet in overeenstemming zou kunnen zijn met de gerealiseerde verdiensten.

4.5.

Het door appellant gedane beroep op verjaring van de terugvordering voor zover deze betreft de periode van 1 januari 2005 tot 2 september 2005 treft geen doel.

4.6.

Wat betreft de verjaringstermijn van terugvorderingen van onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering sluit de Raad overeenkomstig zijn vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 10 juli 2009, LJN BJ3262) aan bij de in het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde verjaringstermijnen voor vorderingen uit onverschuldigde betaling. Op grond van het bepaalde in artikel 309 van Boek 3 van het BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden. Aansluiting zoekend bij artikel 309 van Boek 3 van het BW is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van een arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvangt op het moment dat het Uwv bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt.

4.7.

Vast staat dat appellant het Uwv eerst bij brief van 4 september 2006 op de hoogte heeft gesteld van de jaarcijfers over het boekjaar 2005. Aangezien het primaire besluit met betrekking tot herziening van de uitkering in verband met inkomsten uit arbeid dateert van
2 september 2010, is van overschrijding van de verjaringstermijn geen sprake.

4.8.

Ten slotte kan appellant niet worden gevolgd in de ongemotiveerde vraagtekens die hij zet bij de berekening van de hoogte van de terugvordering. Zoals door het Uwv ter zitting te kennen heeft gegeven, heeft het alsnog meenemen van 1,9% overhevelingstoeslag in het maatmanloon geen invloed op de hoogte van de terugvordering. Uit de specificatie van de definitieve terugvordering die het Uwv bij brief van 20 juni 2013 in het geding heeft gebracht is volstrekt duidelijk dat alleen het WAZ-gedeelte van de uitbetaalde uitkeringen wordt teruggevorderd en niet het WAO-gedeelte.

4.9.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en A.I. van der Kris en
K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2014.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) Z. Karekezi

NW