Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:777

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
11-4693 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-Uitkering. Onrechtmatige daad. De Raad is van oordeel dat in een situatie als hier aan de orde waarbij in bezwaar de eerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% die ten grondslag ligt aan de loongerelateerde WGA-uitkering alsnog wordt gewijzigd in meer dan 80%, sprake is van een wijziging van de rechtspositie van betrokkene, en aldus sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb. Nu dit is nagelaten zal de Raad dit gebrek herstellen. Voorts wordt, anders dan de rechtbank, geoordeeld dat sprake is van een herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van Uwv van 3 maart 2010 herroepen. Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Veroordeling vergoeding rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4693 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 juni 2011, 10/2574 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2013. Namens appellante is

mr. Klijnstra verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 3 maart 2010 (primaire besluit) heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 6 december 2009 recht is ontstaan op een loongerelateerde

WGA-uitkering, met vermelding van een mate van arbeidsongeschiktheid van 43%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.1.

Bij besluit van 20 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige ertoe heeft geleid dat appellante met ingang van 6 december 2009 niet voor 35 tot 80% arbeidsongeschikt, maar voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht. Voorts is overwogen dat deze wijziging van de theoretische verdiencapaciteit tot € 0,- geen ander rechtsgevolg oplevert dan reeds met het primaire besluit was beoogd en dat per einddatum van de loongerelateerde WGA-uitkering een afzonderlijk, voor bezwaar vatbaar besluit wordt afgegeven waarbij de resterende verdiencapaciteit en de inkomenseis opnieuw onderwerp van geschil kunnen zijn.

Omdat het bezwaar ongegrond wordt verklaard is bij het bestreden besluit geweigerd de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.

2.2.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van haar bezwaar en tegen de afwijzing van het verzoek om de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.

3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de wijziging in arbeidsongeschiktheidsklasse naar 80 tot 100% impliceert dat voor een recht op loonaanvullingsuitkering niet meer hoeft te worden voldaan aan de inkomenseis. Naar het oordeel van de rechtbank is het beoogde rechtsgevolg in bezwaar dan ook gewijzigd zodat het Uwv het primaire besluit ten onrechte niet heeft herroepen. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat geen sprake was van aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid die tot herroeping van het primaire besluit noopte.

4.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat een primair besluit dat wordt herroepen als onrechtmatig dient te worden aangemerkt. Nu het niet aan appellante is te wijten dat het onrechtmatige primaire besluit is genomen, dient zij in aanmerking te komen voor vergoeding van de kosten in bezwaar.

4.2.

Het Uwv heeft in zijn verweerschrift het standpunt herhaald dat de onderhavige heroverweging in bezwaar geen herroepen is in de zin van artikel 7:15, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit door de rechtbank in stand zijn gelaten heeft het Uwv, wegens het ontbreken van voldoende procesbelang, niet ook hoger beroep ingesteld.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de raad van

22 oktober 2008, LJN BG1621) wordt de omvang van het geding in hoger beroep in beginsel bepaald door de gronden die de indiener van het hoger-beroepschrift tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd. Dit is slechts anders, indien sprake is van nauwe verwevenheid tussen een of meer gronden die de indiener van het hoger beroep heeft aangevoerd en een of meer door een andere partij bij wege van verweer naar voren gebrachte standpunten, dan wel indien van die andere partij redelijkerwijs niet kon worden gevergd zelf hoger beroep in te stellen, omdat zij daarbij geen - zelfstandig - belang had. Van de vereiste nauwe verwevenheid is pas dan sprake, als de bestuursrechter een of meer van de door de indiener van het hoger beroep aangevoerde gronden niet adequaat kan beoordelen zonder tevens een oordeel te geven over een of meer van de in verweer naar voren gebrachte standpunten. In dit geval is zowel sprake van de situatie dat van het Uwv redelijkerwijs niet kon worden gevergd zelf hoger beroep in te stellen als van nauwe verwevenheid. Gelet op de bewoordingen en strekking van artikel 7:15, lid 2 van de Awb is herroepen van een besluit namelijk voorwaarde voor eventuele vergoeding van kosten. De Raad zal dus eerst moeten beoordelen of het Uwv gehouden was het primaire besluit te herroepen.

5.2.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 augustus 2006 (LJN AY8044) is de Raad van oordeel dat van “herroepen” in de zin van artikel 7:15 van de Awb slechts sprake is indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg.

5.3.

In zijn uitspraak van 15 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1 heeft de Raad, met verwijzing naar zijn uitspraak van 15 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485, en in afwijking van zijn uitspraak van 10 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6637, geoordeeld dat in een situatie als hier aan de orde waarbij in bezwaar de eerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% die ten grondslag ligt aan de loongerelateerde WGA-uitkering alsnog wordt gewijzigd in meer dan 80%, sprake is van een wijziging van de rechtspositie van betrokkene, en aldus sprake is van herroepen als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb. Nu dit is nagelaten zal de Raad dit gebrek herstellen.

5.4.

Voorts wordt, anders dan de rechtbank, geoordeeld dat sprake is van een herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Immers, eerst in bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts na informatie uit de behandelend sector geconcludeerd dat een grotere urenbeperking en een aanscherping van de fysieke beperkingen aan de orde is, hetgeen alsnog heeft geresulteerd in de bij het bestreden besluit vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 80%. Dit leidt tot de conclusie dat eerst toen de nodige kennis was vergaard over de relevante feiten ten behoeve van een correcte besluitvorming zodat de herroeping van het besluit van 3 maart 2010 heeft plaatsgevonden wegens een aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid.

5.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij is volstaan met het in stand houden van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit zonder het besluit van 3 maart 2010 te herroepen en zonder het Uwv te veroordelen in de kosten van bezwaar. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van Uwv van 3 maart 2010 herroepen.

6.

Gelet op de omstandigheid dat de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit uitsluitend verband houdt met de niet toegekende vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar, dient het in hoger beroep gedane verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade te worden afgewezen.

7.

De Raad zal het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordelen tot vergoeding van de kosten van het bezwaar van appellante, tot een bedrag van € 974,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorst bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 974,- eveneens wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het primaire besluit van 3 maart 2010 niet is herroepen en geen veroordeling van de proceskosten in bezwaar heeft plaatsgevonden;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- herroept het besluit van het Uwv van 3 maart 2010;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van bezwaar van appellante tot een bedrag van € 974,-

- veroordeelt het Uwv in de kosten van het hoger beroep van appellante tot een bedrag van

€ 974,-

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 112,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) S. Aaliouli

GdJ