Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
13-4918 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van het eerder genomen besluit. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4918 WAO + 13/6835 WAO-VV

Datum uitspraak: 26 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 augustus 2013, 13/994 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 12 december 2013.

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats](verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2014. Verzoeker is niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.

Verzoeker is op 21 augustus 2000 uitgevallen. Bij besluit van 17 augustus 2001 heeft het Uwv hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd omdat verzoeker bij de aanvang van zijn verzekering op 1 mei 2000 reeds volledig arbeidsongeschikt was. Het bezwaar tegen het besluit van 17 augustus 2001 is bij besluit van 8 februari 2002 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat verzoeker primair weer geschikt geacht wordt voor het werk dat hij verrichtte voor zijn uitval in augustus 2000 en subsidiair dat hij volledig arbeidsongeschikt was bij aanvang van de verzekering. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

2.1.

Op 4 juli 2012 heeft verzoeker het Uwv verzocht hem alsnog een WAO-uitkering toe te kennen per augustus 2001.

2.2.

Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft het Uwv geweigerd op het besluit van

8 februari 2008 terug te komen omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Bij besluit van

14 februari 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2012 ongegrond verklaard.

3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.

Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat hij ten onrechte geen

WAO-uitkering ontvangt. Er is sprake van wandaden bij het Uwv. De rechtbank heeft geen antwoord gegeven op de vragen van verzoeker inzake verkeerde processuele volgorde, moedwillige willekeur en dwaling en het niet onder ogen willen zien van ernstige feiten. Verzoeker wenst uitbetaling van achterstallig inkomen, vakantiegeld en pensioenopbouw. Tevens is er sprake van diefstal en oplichting. Hij heeft op 12 december 2013 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

5.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen in de hoofdzaak. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.2.

In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak onjuist is. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid overwogen dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De voorzieningenrechter begrijpt uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht dat hij onvrede heeft met het gegeven dat aan hem destijds geen WAO-uitkering is toegekend. De beslissing op bezwaar van 8 februari 2002 is onherroepelijk geworden omdat daartegen geen rechtsmiddel door of namens verzoeker is aangewend. Gelet op het ontbreken van nadere gegevens kan de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel komen dan de rechtbank.

6.

Uit hetgeen is overwogen in 5.2. volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Reeds hierom dient ook het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen te worden afgewezen.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) R.L. Rijnen

GdJ