Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:740

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
12-1126 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na rugoperatie tijdelijke uitbreiding aantal uren huishoudelijke verzorging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1126 WMO

Datum uitspraak: 19 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

19 januari 2012, 10/1089 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat, hoger beroep ingesteld. Tevens zijn nadere stukken ingezonden.

Het college heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2013, waar namens appellante mr. van Voorst Vader en [naam echtgenoot appellante] zijn verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is onder meer bekend met rugproblematiek, een stofwisselingsziekte, een aandoening van het hart- en vaatstelsel en een aandoening aan het urogenitaalstelsel als gevolg waarvan zij beperkingen ondervindt in het voeren van de huishouding. Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is aan appellante een voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging voor 6,5 uur per week toegekend.

1.2.

Nadat appellante op 18 mei 2010 een rugoperatie heeft ondergaan, heeft zij op

27 mei 2010, in verband met mobiliteitsproblemen, verzocht om uitbreiding van de hoeveelheid uren huishoudelijke verzorging.

1.3.

Bij besluit van 4 juni 2010 heeft het college aan appellante een voorziening ingevolge de Wmo in de vorm van huishoudelijke verzorging klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week) toegekend, voor de periode van 4 juni 2010 tot en met 19 augustus 2014.

1.4.

Op 30 oktober 2010 heeft F.P. Koning-van den Berg van Saparoea, arts en medisch adviseur CIZ, na dossieronderzoek, inwinnen van informatie van de huisartsenpraktijk inzake de gediagnosticeerde aandoeningen en een gesprek met appellante, overwogen dat het zeer aannemelijk is dat appellante kort na ontslag uit het ziekenhuis tot niet veel in staat was. Ten tijde van het onderzoek, vijf maanden later, was gradueel verbetering van het functioneren ingetreden. De medisch adviseur CIZ heeft geconcludeerd dat er beperkingen zijn bij het uitvoeren van de zware huishoudelijke taken. Er zijn evenwel geen beperkingen bij het uitvoeren van lichte huishoudelijke taken, mits verricht in ergonomische houding. De beperkingen van de echtgenoot van appellante liggen in dezelfde range, waarbij het bij hem met name gaat om het niet kunnen inzetten van de steunfunctie van de linkerarm. Beperkingen bij het dragen en handelen van lichte voorwerpen zijn bij hem niet objectiveerbaar. Daarnaast ontbreekt een objectivering voor het niet in staat zijn maaltijden te verzorgen, tafel te dekken en de afwas te doen. Het overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden die niet mogelijk zijn, leidt niet tot een anti-revaliderend effect. Voor de overige werkzaamheden geldt dat als deze zelf worden uitgevoerd, dit bijdraagt aan een zoveel mogelijk actieve leefwijze.

1.5.

Bij besluit van 5 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de medisch adviseur CIZ, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 juni 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het college zijn besluitvorming op het medisch advies mocht baseren en dat appellante geen andersluidende medische stukken of anderszins objectiveerbare gegevens heeft overgelegd die het door haar ingenomen standpunt dat de toegekende hoeveelheid uren huishoudelijke verzorging niet toereikend zou zijn, ondersteunen.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep, onder verwijzing naar een medisch attest van

7 mei 2012 van behandelend chirurg prof. dr. J. Caemaert, op het standpunt gesteld dat haar belastbaarheid te hoog wordt ingeschat. Na haar ontslag uit het ziekenhuis per 28 mei 2010 moest zij nog geruime tijd bedrust houden. Haar echtgenoot was als gevolg van een eerdere schouderoperatie evenmin belastbaar.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat niet is gebleken dat het door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van 30 oktober 2010, onzorgvuldig is voorbereid of dat de daarin getrokken conclusie niet gedragen kan worden door de bevindingen. Ook de Raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de onderhavige medische beoordeling. Ook in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en overgelegd, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Uit het medisch attest van 7 mei 2012 volgt in ieder geval niet dat de omvang van de aan appellante op basis van de Wmo toegekende uren huishoudelijke verzorging op medische gronden ontoereikend moet worden geacht.

4.2.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) K.E. Haan

GdJ