Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:739

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
12-3782 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajonger. Beëindiging van rechtswege van tweede arbeidsovereenkomst. Ziekmelding. Hoogte dagloon.

Wetsverwijzingen
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen 3
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/125
RSV 2014/164

Uitspraak

12/3782 WIA

Datum uitspraak: 26 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 mei 2012, 11/2715 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2014. Appellante en mr. Fluit zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is jonggehandicapte. Het Uwv heeft haar bij besluit van 13 mei 2008

met ingang van 7 april 2007 een uitkering toegekend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met haar inkomsten uit arbeid is deze uitkering vanaf 7 mei 2008 betaald als was appellante 65 tot 80% arbeidsongeschikt.

1.2. Appellante is op 7 november 2007 in dienst getreden bij[naam werkgever] (werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 7 mei 2008. Het Uwv heeft bij besluit van 13 mei 2008 aan werkgever loondispensatie verleend met ingang van 7 mei 2008. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Met ingang van

28 mei 2008 is zij opnieuw een arbeidsovereenkomst met werkgever aangegaan. Deze arbeidsovereenkomst is van rechtswege geëindigd op 17 december 2008.

1.3. Appellante heeft zich op 26 november 2008 bij werkgever ziek gemeld. Met ingang van 24 december 2008 heeft het Uwv de Wajong-uitkering weer volledig betaald.

1.4. Appellante heeft een uitkering gevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 28 februari 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat het WIA-dagloon € 30,75 bedraagt en dat de WIA-uitkering met ingang van 23 november 2010 niet tot uitbetaling kan komen, omdat de Wajong-uitkering hoger is dan de

WIA-uitkering.

1.5. Appellante heeft tegen het besluit van 28 februari 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en zijn besluit van 28 februari 2011 herzien. Het Uwv heeft het WIA-dagloon verhoogd naar € 56,11 en verder bepaald dat de WIA-uitkering niet tot uitbetaling komt, omdat de Wajong-uitkering nog steeds hoger is dan de WIA-uitkering.

2.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv bij het bestreden besluit heeft verzuimd te beslissen op de bezwaargrond dat het maatmanloon niet juist is bepaald. Daarom heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit in verband met een motiveringsgebrek vernietigd. De rechtbank heeft de beroepsgronden die betrekking hadden op de toepassing van de artikelen 2 en 4 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit) verworpen en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3.1.

Appellante heeft ter zitting haar hoger beroep beperkt tot het oordeel van de rechtbank dat in haar geval artikel 4 van het Besluit toepassing mist. Volgens appellante heeft zij de met werkgever overeengekomen arbeid niet verricht als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Appellante wil bereiken dat voor de bepaling van het WIA-dagloon wordt uitgegaan van het loon dat werkgever haar heeft betaald op grond van de eerste arbeidsovereenkomst toen van loondispensatie nog geen sprake was.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv voldoet appellante niet aan het vereiste van artikel 4 van het Besluit dat zij als gevolg van arbeidsongeschiktheid de bedongen arbeid niet heeft verricht. Vanaf mei 2008 heeft appellante bij werkgever de werkzaamheden uitgevoerd die zij in het kader van de tweede arbeidsovereenkomst met werkgever had afgesproken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 4, eerste lid, van het Besluit is onder meer bepaald dat indien de werknemer in het refertejaar in een aangiftetijdvak geen of minder loon heeft genoten omdat hij wegens arbeidsongeschiktheid de bedongen arbeid niet heeft verricht, bij het vaststellen van het loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking wordt genomen het loon dat de werknemer bij dezelfde werkgever heeft genoten in het laatste aangiftetijdvak voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid.

4.2.

Uitgangspunt van het Besluit is dat het WIA-dagloon wordt gebaseerd op het loon dat de werknemer heeft genoten in het laatste betalingstijdvak voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. In het geval van appellante komt dit erop neer dat het loon over de maand oktober 2008 bepalend is voor het WIA-dagloon. De stelling van appellante die erop neerkomt dat het Uwv het WIA-dagloon van appellante zou moeten berekenen op basis van het loon over de maand april 2008 vindt geen steun in het Besluit. In artikel 4 van het Besluit is weliswaar bepaald dat in enkele situaties van het uitgangspunt van het Besluit ten voordele van de werknemer wordt afgeweken, maar appellante heeft zich niet in een van de in het artikel beschreven situaties bevonden.

4.3.

De rechtbank heeft haar oordeel dat artikel 4 van het Besluit in het geval van appellante niet van toepassing is, gegrond op de overweging dat onder bedongen arbeid moet worden verstaan de overeengekomen, laatst verrichte arbeid en dat dat de werkzaamheden zijn die appellante vanaf mei 2008 heeft verricht met inachtneming van haar beperkingen. Dat appellante vanaf mei 2008 minder loon heeft ontvangen dan gebruikelijk is in de functie waarin zij werkzaam is geweest, is een gevolg van de aan werkgever verleende loondispensatie (in combinatie met de aan appellante Wajong-uitkering) en niet van arbeidsongeschiktheid buiten de in aanmerking genomen beperkingen.

4.4.

Dit oordeel van de rechtbank is juist. Artikel 4, eerste lid, van het Besluit verbindt consequenties aan ongeschiktheid die is ontstaan voor het verrichten van arbeid die met de werkgever is overeengekomen. Appellante was niet vanaf de aanvang van de tweede arbeidsovereenkomst op 28 mei 2008 gedeeltelijk ongeschikt voor de werkzaamheden waarvoor zij van werkgever loon ging ontvangen. Tot haar ziekmelding op 26 november 2008 heeft appellante de arbeidsprestatie kunnen leveren die werkgever op grond van de aan de tweede arbeidsovereenkomst ten grondslag liggende afspraken van haar mocht verwachten. Dat was niet de arbeidsprestatie van een werknemer zonder beperkingen. In verband met de beperkingen van appellante en de daaruit voortvloeiende verminderde arbeidsprestatie van appellante was aan werkgever immers loondispensatie verleend. Niet in geschil is dat werkgever zijn bereidheid om appellante een tweede arbeidsovereenkomst aan te bieden had verbonden aan het verkrijgen van toestemming van het Uwv om appellante minder loon te mogen betalen dan het bij de functie behorende loon.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover appellante die in hoger beroep heeft aangevochten, zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker

sg