Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
11-6826 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na misbruik van pgb krijgt appellante zorg in natura. Geen keuzemogelijkheid meer. Zwaarwegende omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/77
JWWB 2014/83

Uitspraak

11/6826 WMO

Datum uitspraak: 26 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

3 november 2011, 11/165 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2013. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

Ingevolge artikel 1.6, eerste lid, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam (Vmo) kan een voorziening worden verstrekt in natura, als een persoonsgebonden budget (pgb) of als voucher. Ingevolge het vierde lid van dit artikel heeft een persoon niet de mogelijkheid om voor een pgb te kiezen als er daarvoor overwegende bezwaren zijn als bedoeld in artikel 6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Van overwegende bezwaren is in ieder geval sprake onder meer indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de persoon zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van het pgb en deze hulp niet beschikbaar is.

2.

Appellante is in 1934 geboren en hulpbehoevend. Nadat was gebleken dat van het aan haar in 2009 toegekende pgb voor de inkoop van 11,5 uur per week zorg, misbruik was gemaakt, heeft het college bij besluit van 22 oktober 2010 het pgb stopgezet. Het college heeft tegelijk Thuiszorg Rotterdam verzocht deze 11,5 uur zorg in natura aan appellante te leveren.

Het tegen het besluit van 22 oktober 2010 ingestelde bezwaar heeft het college bij besluit van

23 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheid dat er - naar appellante heeft erkend - in 2009 misbruik is gemaakt van het pgb, in dit specifieke geval voldoende grond oplevert om te oordelen dat zwaarwegende omstandigheden zich verzetten tegen de keuzemogelijkheid van appellante voor een pgb. Appellante is zelf wegens analfabetisme en dementie niet in staat tot verantwoorde besteding van het pgb en evenmin is aannemelijk gemaakt dat er ten opzichte van 2009 een verandering in de situatie is gekomen, zodanig dat ervan uit kan worden gegaan dat niet wederom het pgb niet ten bate van de haar toekomende zorg zal worden aangewend.

4.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat er een gegronde reden is voor een pgb aanvraag, omdat appellante analfabeet is en ze niet in staat is tot een verantwoorde besteding van het pgb.

5.

De Raad is van oordeel dat de aangevoerde beroepsgronden het oordeel van de rechtbank ondersteunen en dus leiden tot een bevestiging van de aangevallen uitspraak.

6.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en A.J. Schaap en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) D.E.P.M. Bary

RB