Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
12-4223 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Onvoldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4223 WWB, 12/5284 WWB

Datum uitspraak: 25 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

18 juni 2012, 11/1696 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Roderburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2014. Deze zaken zijn gevoegd behandeld met de zaken van [betrokkene] ([betrokkene]) met registratienummers 12/4121 WWB, 12/4122 WWB, 12/4123 WWB en 12/5267 WWB. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.D. van Koningsveld, kantoorgenoot van mr. Roderburg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.C. Landers en mr. K.A.H. van de Laar. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.1. [betrokkene] ontving vanaf 19 juni 2000 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit de relatie tussen appellant en [betrokkene] is op 26 januari 1996 een dochter geboren.

1.1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip over samenwoning van [betrokkene] met appellant heeft een sociaal rechercheur van de gemeente [woonplaats] een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van [betrokkene]. In dat kader heeft de sociaal rechercheur waarnemingen bij het adres van [betrokkene], [adres 1] te [woonplaats], gedaan, een huiszoeking verricht in de woning van [betrokkene], appellant en [betrokkene] verhoord en twee bewoners van [adres 1] te [woonplaats] en twee bewoners van de straat waar appellant woont, de [adres 2] te [woonplaats], als getuigen gehoord. De bevindingen zijn vastgelegd in een rapport van 18 mei 2011.

1.1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

23 mei 2011 de bijstand van [betrokkene] met ingang van 10 januari 2005 in te trekken op de grond dat [betrokkene] vanaf die datum een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant waarvan zij aan het college geen melding heeft gedaan. Daarnaast heeft het college de over de periode van 10 januari 2005 tot 1 maart 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 98.276,95 bruto en € 1.926,51 netto van [betrokkene] teruggevorderd. Bij besluit van 1 november 2011 heeft het college de bezwaren van [betrokkene] tegen het besluit van

23 mei 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 juni 2012 met registratienummer 11/1573, 11/1748 en 11/1769, voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van 1 november 2011 gegrond verklaard, dat besluit herroepen voor zover het de intrekking van de uitkering betreft en bepaald dat de uitkering wordt ingetrokken met ingang van 23 september 2005. In verband hiermee heeft de rechtbank het college opgedragen een nieuw terugvorderings- en verrekeningsbesluit te nemen. Het college heeft bij besluit van

4 september 2012 de bijstand van [betrokkene] ingetrokken met ingang van 23 september 2005 en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 88.109,63 bruto van [betrokkene] teruggevorderd. Bij uitspraak van heden, nummer 12/4121 WWB, 12/4122 WWB, 12/4123 WWB en 12/5267 WWB, heeft de Raad de rechtbankuitspraak van 18 juni 2012 vernietigd, het beroep van [betrokkene] tegen het besluit van 1 november 2011 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 23 mei 2011 herroepen. De Raad heeft eveneens het ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank genomen besluit van 4 september 2012 vernietigd.

1.2.

Bij besluit van 23 mei 2011 heeft het college de kosten van de ten onrechte aan [betrokkene] verleende bijstand tot een bedrag van € 100.203,46 mede van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 1 november 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 mei 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij betwist dat hij een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [betrokkene].

4.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 4 september 2012 een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant en [betrokkene] met ingang van 23 september 2005 een (verzwegen) gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Het bedrag dat mede wordt teruggevorderd van appellant is daarbij nader vastgesteld op € 88.109,63. Het besluit van 4 september 2012 wordt, met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In zijn in 1.1.3 genoemde uitspraak van heden, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht, heeft de Raad geoordeeld dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellant en [betrokkene] vanaf 23 september 2005 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad ziet geen aanleiding om in dit geding tot een ander oordeel te komen.

5.2.

Uit 5.1 volgt dat appellant niet de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand van [betrokkene] rekening had moeten worden gehouden. Nu dit meebrengt dat ten aanzien van appellant niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, was het college niet bevoegd de kosten van de over de hiervoor genoemde periode aan [betrokkene] verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

5.3.

Gelet op wat is overwogen in 5.1 en 5.2 slaagt het hoger beroep en komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 1 november 2011 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad ziet tevens aanleiding om het besluit van 23 mei 2011 te herroepen nu dit besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5.4.

Nu de aangevallen uitspraak vernietigd wordt, is aan het ter uitvoering van die uitspraak genomen besluit van 4 september 2012 de grondslag komen te ontvallen. Dit besluit kan dan ook niet in stand blijven.

6.

Ten slotte bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 974,- wegens aan appellant verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten en behoudens de daarbij

gegeven bepalingen over proceskosten en griffierecht;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 1 november 2011;

- herroept het besluit van 23 mei 2011;

- vernietigt het besluit van 4 september 2012;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 974,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) O.P.L. Hovens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD