Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
12-6526 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Niet duurzaam gescheiden. Inkomsten uit zwart werk. Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Maatregel. Recht op bijstand is wel vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6526 WWB, 12/6527 WWB

Datum uitspraak: 25 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

20 november 2012, 12/101, 12/581 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van de Friese Meren (college)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeentelijke herindeling oefent het college van burgemeester en wethouders van De Friese Meren met ingang van 1 januari 2014 de bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân. In deze uitspraak wordt onder college tevens verstaan het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân.

Namens appellanten heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Achterveld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Hulzinga.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 12 mei 2006 bijstand op grond van de WWB naar de norm voor gehuwden. Op 13 oktober 2010 heeft appellant aan het college gemeld dat het huwelijk tussen appellanten voorbij is en dat hij niet meer bij appellante woont. Bij besluit van

23 november 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van

12 oktober 2010 gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 3 maart 2011 heeft appellant zich bij het UWV werkbedrijf gemeld om bijstand op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande aan te vragen en op 22 maart 2011 heeft een intakegesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan heeft het college aansluitend een huisbezoek afgelegd aan het [adres 1]te [woonplaats], het adres dat appellant heeft opgegeven als woonadres. Het college heeft vervolgens op 12 april 2011 een huisbezoek afgelegd aan het adres van appellante, [adres 2]te [woonplaats] en aansluitend gesprekken met appellanten gevoerd. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om de aanvraag van appellant bij besluit van 26 april 2011 af te wijzen op de grond dat hij niet kan worden aangemerkt als gehuwde die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Uit het onderzoek is daarnaast gebleken dat appellant inkomsten had uit zwart werk.

1.3.

Bij besluit van 16 juni 2011 (besluit 1) heeft het college voorts de bijstand van appellante over de periode van 24 november 2010 tot en met 11 april 2011 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door het college niet te melden dat appellant sinds 24 november 2010 weer bij haar woont. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting is het recht op bijstand niet vast te stellen. Vervolgens heeft het college bij besluit van 20 juni 2011 (besluit 2) de kosten van ten onrechte betaalde bijstand over de periode van 24 november 2010 tot

12 april 2011 van appellanten (mede)teruggevorderd en heeft het aan appellante bij besluit van 20 juni 2011 (besluit 3) een maatregel opgelegd inhoudende een verlaging van de uitkering met 40 % van de bijstandsnorm gedurende één maand.

1.4.

Bij besluit van 21 december 2011 (bestreden besluit), aangevuld bij de besluiten van

22 februari 2012, heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, de bezwaren tegen besluit 3 ongegrond verklaard en de intrekking en (mede)terugvordering beperkt tot de periode van 24 november 2010 tot en met 2 maart 2011.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beoordelingsperiode loopt van 24 november 2010 tot en met 2 maart 2011.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat zij niet tijdig aan het college heeft gemeld dat appellant vanaf 24 november 2010 weer bij haar is ingetrokken. Dit betekent dat appellante ten tijde hier van belang geen zelfstandig subject was van bijstand en daarom geen recht meer had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Gelet hierop was het college bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante in te trekken over de periode van 24 november 2010 tot en met 2 maart 2011.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3808) is het college, nu vaststaat dat appellante is tekortgeschoten in de nakoming van haar wettelijke inlichtingenverplichting in beginsel bevoegd de over de in geding zijnde periode gemaakte kosten van bijstand volledig terug te vorderen. Het is vervolgens aan appellante om aannemelijk te maken dat aan hen, ook als appellante haar verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen, volledige, althans aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden over die periode zou zijn verstrekt.

4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat over de door appellant op incidentele basis verrichte werkzaamheden voldoende informatie is verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) dient het bijstandverlenend orgaan, indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, daartoe over te gaan. Appellant heeft een concreet cijfermatig overzicht overgelegd van zijn verdiensten. Daarnaast heeft appellant consistent verklaard over zijn inkomsten. Van aanwijzingen dat appellant meer inkomsten heeft verworven dan hij heeft vermeld in zijn overzicht is niet gebleken. Hieruit volgt dat het college ten onrechte heeft nagelaten het recht op bijstand in de periode in geding vast te stellen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking voor zover het de (mede)terugvordering betreft. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit voor zover het ziet op de (mede)terugvordering en de besluiten van

22 februari 2012, waarin de (mede)terugvordering is uitgewerkt, vernietigen. Het college zal worden opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de (mede)terugvordering. Dit nieuwe besluit vergt van het college slechts een rekenkundige uitwerking die naar verwachting tussen partijen niet tot een geschil zal leiden. Een bestuurlijke lus is dan ook niet aangewezen.

4.5.

Omdat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden was het college ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 8 van de Maatregelenverordening WWB 2009 gehouden om met ingang van 1 juli 2011 een maatregel van 40% op te leggen. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de door het college opgelegde maatregel niet in overeenstemming is met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de persoon.

4.6.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 487,- in bezwaar, € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 december 2011 voor zover dit

besluit ziet op de (mede)terugvordering alsmede de besluiten van 22 februari 2012 waarin de

terugvordering en medeterugvordering is uitgewerkt;

- draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen ten aanzien van de

(mede)terugvordering met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 2.435,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) O.P.L. Hovens

HD