Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:678

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
12-1841 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging aanspraak op zorg op grond van de AWBZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1841 AWBZ

Datum uitspraak: 26 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

29 maart 2012, 11/3860 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant]te [woonplaats] (appellant)

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2013. Appellant is, met bericht, niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Henneveld.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 21 oktober 2009 is aan appellant op grond van de Algemene Wet

Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een persoonsgebonden budget voor persoonlijke verzorging, klasse 4, en verblijf tijdelijk, klasse 2, toegekend voor de periode van

21 oktober 2009 tot en met 20 oktober 2014. De grondslag voor de toegekende zorg is een psychiatrische aandoening.

1.2.

Bij besluit van 29 juli 2011 heeft CIZ de aanspraak van appellant op zorg op grond van

de AWBZ per 29 juli 2011 beëindigd.

1.3.

Bij besluit van 17 november 2011 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van appellant

tegen het besluit van 29 juli 2011 onder verwijzing naar een medisch advies van

7 november 2011 ongegrond verklaard. De medisch adviseur is tot de conclusie gekomen dat er geen psychiatrische aandoening als grondslag voor AWBZ-zorg aanwijsbaar is, dat er geen sprake is van aantoonbare beperkingen in het functioneren door cognitieve problematiek en dat de somatische aandoeningen niet leiden tot de noodzaak van zorg op grond van de AWBZ.

1.4.

In verband met de gevolgen van een CVA heeft CIZ bij besluit van 10 november 2011

aan appellant een Zorgzwaartepakket VV09, klasse 7, toegekend voor de periode van

9 november 2011 tot en met 8 mei 2012.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat, gelet op het besluit van

10 november 2011, het geschil beperkt is tot het niet toekennen van zorg op grond van de AWBZ over de periode van 29 juli 2011 tot 9 november 2011. De rechtbank is van oordeel dat CIZ zich heeft kunnen baseren op het medisch advies van 7 november 2011. Dat advies is zorgvuldig tot stand gekomen, is voldoende daadkrachtig gemotiveerd en appellant heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de conclusies van de medisch adviseur onjuist zijn. De informatie in de door appellant overgelegde brief van neuroloog J. de Jonge van 16 januari 2012 ziet volgens de rechtbank niet op de periode in geding, maar op de gewijzigde situatie ten gevolge van het opgetreden CVA.

3.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. Ook in hoger beroep stelt appellant dat hem over de periode van 29 juli 2011 tot 9 november 2011 ten onrechte een indicatie op grond van de AWBZ is onthouden, nu hij gelet op zijn medische beperkingen was aangewezen op zorg op grond van de AWBZ. Appellant verzet zich verder tegen de overweging van de rechtbank dat de brief van neuroloog De Jonge van 16 januari 2012 alleen ziet op de gewijzigde situatie na het doormaken van het CVA. De neuroloog behandelt in die brief ook de voorgeschiedenis zodat die brief tevens ziet op de periode in geding, aldus appellant.

4.1.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden van beroep van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt hier het volgende aan toe.

4.2.

Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische stukken overgelegd die aanleiding geven om aan te nemen dat de door CIZ getrokken conclusie, dat er geen beperkingen zijn die leiden tot een indicatie, onjuist is. De Raad stelt verder vast dat de in de brief van neuroloog De Jonge van 16 januari 2012 beschreven voorgeschiedenis geen nieuwe medische informatie bevat ten aanzien van de hier aan de orde zijnde periode. Die informatie stond immers ook vermeld in de brief van intensivist A.N. Roos van 14 oktober 2011 en deze informatie heeft de medisch adviseur in zijn oordeelsvorming betrokken.

4.3.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESSLISNG

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en A.J. Schaap en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) D.E.P.M. Bary

JvC