Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
03-03-2014
Zaaknummer
12-2368 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Verplichtingen tot arbeidsinschakeling. Het college heeft er in beroep en hoger beroep aan voorbijgezien dat appellant ten tijde van de maatregel, als gevolg van de intrekking van de bijstand vanaf 2 april 2011, geen recht op bijstand meer had. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA8305) verzet de systematiek van de WWB zich ertegen dat, zoals in het hier aan de orde zijnde geval, een verlaging van de bijstand wordt toegepast over een periode dat geen recht op bijstand (meer) bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/104

Uitspraak

12/2368 WWB, 12/2369 WWB

Datum uitspraak: 25 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 maart 2012, 11/8765 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 12/6203 WWB en 12/6204 WWB plaatsgehad op 12 november 2013. Voor appellanten is verschenen mr. Brouwer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M. van der Heijden. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 2 april 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Voor appellant golden in de periode hier van belang de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2.

Appellant is aangemeld bij het project Werkacademie, een voorziening van de gemeente gericht op arbeidsinschakeling waarbij gedurende een periode van zes weken een intensieve sollicitatiebegeleiding wordt gegeven en waarbij wordt bemiddeld bij vacatures.

1.3.

Blijkens een mailbericht van de coach van de Werkacademie aan de klantmanager van

1 juni 2011 heeft appellant tijdens de bijeenkomst van de Werkacademie op 31 mei 2011 te kennen gegeven niet van plan te zijn om werk in loondienst te aanvaarden, omdat hij als zelfstandig ondernemer aan de slag wil. Na een gesprek met de coaches is appellant vervolgens weggestuurd bij de Werkacademie, omdat appellant door zijn instelling niet te handhaven is in de groep.

1.4.

Bij besluit van 8 juni 2011 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van

1 juni 2011 voor de duur van een maand met 40% verlaagd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant onvoldoende gebruik maakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

1.5.

bij besluit van 6 oktober 2011 heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 8 juni 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt - ambtshalve - vast dat het college bij besluit van 15 november 2011, welk besluit is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 29 februari 2012, de aan appellanten verleende bijstand per 2 april 2011 heeft ingetrokken wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Het tegen deze beslissing op bezwaar ingestelde beroep heeft de rechtbank bij uitspraak van 10 oktober 2012 onder nr. 12/3027 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden onder nr. 12/6203 WWB e.v. heeft de Raad deze uitspraak bevestigd. Het college heeft er in beroep en hoger beroep aan voorbijgezien dat appellant ten tijde van de maatregel, als gevolg van de intrekking van de bijstand vanaf 2 april 2011, geen recht op bijstand meer had. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA8305) verzet de systematiek van de WWB zich ertegen dat, zoals in het hier aan de orde zijnde geval, een verlaging van de bijstand wordt toegepast over een periode dat geen recht op bijstand (meer) bestaat. Dit betekent dat over de maand juni 2011 geen maatregel meer kon worden opgelegd. Het college kon het bestreden besluit dus in beroep en hoger beroep niet handhaven.

4.2.

Uit het onder 4.1 gestelde volgt dat het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellanten gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 18 van de WWB. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 8 juni 2011 te herroepen.

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand. Voor vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar bestaat geen aanleiding, omdat geen sprake is van aan het college te wijten onrechtmatigheid van het in bezwaar bestreden besluit. Dit besluit is namelijk genomen voordat de bijstand van appellant werd ingetrokken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 6 oktober 2011;

- herroept het besluit van 8 juni 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

besluit van 6 oktober 2011;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten de in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierechten van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) T.A. Meijering

HD