Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
03-03-2014
Zaaknummer
12-2193 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vergoeding lunchkosten tijden cursus. De ambtenaar heeft geen aanspraak op vergoeding van de lunchcomponent, wanneer hij de mogelijkheid heeft binnen een gebouw van de politieorganisatie in een ruimte elders dan achter zijn bureau of op zijn (vaste) werkplek in alle rust te lunchen. De mogelijkheid tot het kopen van etenswaren is daartoe geen voorwaarde. Nu een dergelijke ruimte op de cursuslocatie aanwezig was, had appellant geen aanspraak op vergoeding van zijn lunchkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/103
TAR 2014/114

Uitspraak

12/2193 AW

Datum uitspraak: 27 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
29 februari 2012, 11/8772 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

In verband met de invoering van de Politiewet 2012 per 1 januari 2013 is, in zaken zoals deze de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio

Hollands-Midden, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. J. van Overdam hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Overdam. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G. Revet.

OVERWEGINGEN

1.1 Appellant is werkzaam als wijkagent en tewerkgesteld in [woonplaats]. Op 30 en 31 mei 2011 heeft hij op het hoofdbureau van politie te Leiderdorp ten behoeve van de leergang wijkagent lessen gevolgd. Op beide dagen heeft hij geluncht in lunchroom [naam luchroom] te Leiderdorp. Op 13 juni 2011 zijn deze lunches van respectievelijk € 12,05 en € 6,75 door appellant met het formulier Declaratie dienstreizen binnenland gedeclareerd.

1.2. Op 25 juli 2011 is appellant in kennis gesteld van het besluit dat de door hem opgevoerde lunchkosten op grond van artikel 13, derde lid, van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten Politie (Besluit) niet worden vergoed. Dit besluit heeft de korpschef na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 oktober 2011 (bestreden besluit). Daartoe is met verwijzing naar artikel 13 van het Besluit overwogen dat appellant in de gelegenheid was een meegebrachte lunch te nuttigen in een bedrijfskantine binnen een gebouw van de politieorganisatie.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Besluit wordt aan de ambtenaar in het geval van een dienstreis een vergoeding toegekend voor tijdens de dienstreis gemaakte verblijfkosten. Een van de componenten van deze vergoeding betreft de lunchcomponent. Op grond van het derde lid van artikel 13 heeft een ambtenaar geen aanspraak op vergoeding van verblijfkosten wanneer hij in de gelegenheid is een al of niet meegebrachte maaltijd te eten in een bedrijfskantine binnen een gebouw van de politieorganisatie.

3.2.

Niet ter discussie staat dat in het geval van appellant sprake is van een dienstreis in de zin van artikel 13 van het Besluit. De vraag die beantwoord dient te worden is wat moet worden verstaan onder het begrip “bedrijfskantine” zoals dat is genoemd in artikel 13, derde lid, van het Besluit en hoe deze bepaling moet worden uitgelegd. Appellant meent dat van een bedrijfskantine sprake is wanneer er een aanbod van maaltijden is, hetgeen volgens hem blijkt uit de zinsnede “een al dan niet meegebrachte maaltijd”. De korpschef heeft aangevoerd dat de bedoeling van het artikel is dat er voor de medewerkers een ruimte moet zijn waar deze, weg van de werkplek, hun al dan niet meegebrachte maaltijd kunnen nuttigen. Daarbij is het niet van belang of dit een ruimte is waar men etenswaren kan kopen of waar men alleen meegebrachte maaltijden kan nuttigen.



3.3. Als gevolg van bezuinigingen zijn op de politiebureaus in de voormalige politieregio Hollands Midden geen gecaterde bedrijfskantines meer aanwezig. In het hoofdbureau van politie te Leiderdorp is een ruimte gecreëerd waar medewerkers rustig kunnen zitten om hun meegebrachte of elders gekochte lunch te nuttigen. Deze ruimte is uitgerust met een koelkast, en een magnetron en er is gratis koffie en thee verkrijgbaar. Overigens verschilt deze situatie niet van de situatie op de plaats van tewerkstelling van appellant.

3.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de letterlijke tekst van artikel 13, derde lid, van het Besluit zowel de interpretatie van appellant als die van de korpschef mogelijk maakt. Uit de Nota van Toelichting op het Besluit kan niet worden afgeleid wat de bedoeling is geweest van deze bepaling. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt echter met zich mee dat de ambtenaar geen aanspraak heeft op vergoeding van de lunchcomponent, wanneer hij de mogelijkheid heeft binnen een gebouw van de politieorganisatie in een ruimte elders dan achter zijn bureau of op zijn (vaste) werkplek in alle rust te lunchen. De mogelijkheid tot het kopen van etenswaren is daartoe geen voorwaarde. Nu een dergelijke ruimte op de cursuslocatie aanwezig was, had appellant geen aanspraak op vergoeding van zijn lunchkosten.

3.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


4. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans in tegenwoordigheid van

M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) M.R. Schuurman

HD