Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:637

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
12-3804 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. 1) Primair omdat de psychische klachten van appellant niet voortvloeien uit ziekte of gebrek. De door de rechtbank geraadpleegde deskundige stelt niet alleen vast dat sprake is van een aanpassingsstoornis, maar ook van een persoonlijkheidsstoornis, waarbij hij spreekt over een duurzaam patroon van afwijkingen. Op grond daarvan adviseert hij tot het aannemen van beperkingen die niet anders geduid kunnen worden dan als beperkingen die zijn terug te voeren op ziekte of gebrek. De primaire stelling van het Uwv wordt verworpen. 2) Subsidiair. Geschikt voor aangepaste arbeid. Geen aanleiding om meer of andere beperkingen in de FML op te nemen. Uitgaande van deze FML zijn voor appellant gelet op zijn beperkingen geschikte functies geduid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12 3804 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle- Lelystad van

15 juni 2012, 11/1312 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 19 februari 2014

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Schippers, werkzaam bij CNV, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft daarop gereageerd bij brief van 6 augustus 2012 en een rapport van

W.M. van der Boog, verzekeringsarts, van 6 juli 2012 ingezonden. Tevens heeft hij bij brief van 13 mei 2013 nog een nader stuk in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schippers. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet doen vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, werkzaam als tufter/opzetter bij [naam werkgever], heeft zich op

9 december 2008 ziek gemeld met rechterelleboog en -armklachten. Nadien heeft hij zich op

17 november 2010 bij het Uwv gemeld met klachten van psychische aard. De verzekeringsarts van het Uwv heeft na onderzoek vastgesteld dat er bij appellant beperkingen bestaan - met name betreffende het gebruik van de rechterelleboog en -arm - ten aanzien van het verrichten van arbeid en heeft deze beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 7 december 2010 geconstateerd dat appellant het eigen werk niet meer kon doen, maar nog wel aangepaste arbeid kan verrichten waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35% resteert. Het Uwv heeft bij besluit van

8 december 2010 appellant bericht dat per 7 december 2010 geen recht op toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat diens mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.

1.2. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij is met name gesteld dat geen of te weinig rekening is gehouden met zijn psychische klachten, die vooral voortvloeien uit spanningen in de werksfeer.

1.3. Bezwaarverzekeringsarts H.J. Hullen heeft in zijn rapport van 10 mei 2011 allereerst gesteld dat tussen partijen geen geschil bestaat met betrekking tot de beperkingen aan de rechterelleboog en -arm; hij heeft de ter zake in de FML opgenomen beperkingen onderschreven. Ten aanzien van de psychische klachten van appellant heeft hij opgemerkt dat deze vooral situatief van aard zijn, dat wil zeggen nauw samenhangen met een arbeidsconflict met de werkgever. Daarmee kon appellant in het verleden in verband met zijn karakterologische structuur al moeilijk omgaan en dat is nu niet anders, aldus Hullen. In een dergelijke situatie is alleen van ziekte sprake als iemand het vermogen over zijn eigen handelen verliest (verlies van autonomie). Nu daarvan geen sprake is en dus niet van ziekte gesproken kan worden, behoeven geen verdere beperkingen op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren in de FML opgenomen te worden. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 20 mei 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is met name gesteld dat wel degelijk sprake is van uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen en dat de psychische klachten ernstig van aard zijn. Gewezen is op de rapporten van 21 maart 2011 en 6 juni 2011 van W.M. van der Boog, verzekeringsarts.

2.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De behandeling ter zitting van

23 september 2011 is geschorst teneinde het Uwv de gelegenheid te geven de psychische situatie van appellant nader te doen onderzoeken door een deskundige. J.T. Hondema, psychiater, heeft op 27 december 2011 rapport uitgebracht. Deze deskundige komt tot de conclusie dat er voldoende criteria zijn om te spreken van een aanpassingsstoornis in de zin van een overmatige psychische reactie op een belastende gebeurtenis (het arbeidsconflict). Tevens is sprake van een persoonlijkheidsstoornis als eerder in het rapport beschreven, waarbij sprake is van “een duurzaam patroon van afwijkende cognities, affecten en functioneren”. Deze conclusie geldt zowel ten tijde van het onderzoek als op de datum in geding. Op de vraag of er rond de datum in geding sprake is van meer dan een situationele arbeidsongeschiktheid heeft Hondema, onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven conclusie, geantwoord dat er aanleiding is om enkele beperkingen in de rubrieken 1 en 2 van de FML op te nemen, waarbij hij tevens ten aanzien van enkele (andere) items van de FML te kennen heeft gegeven dat het opnemen van beperkingen niet nodig is.

2.3. Bezwaarverzekeringsarts G.P. de Kanter heeft in reactie op het rapport van de deskundige in een rapport van 12 januari 2012 primair te kennen gegeven dat er geen reden is de eerder opgestelde FML te wijzigen, omdat de door de deskundige genoemde beperkingen samenhangen met de persoonlijkheid van appellant. Subsidiair, voor zover wel van ziekte of gebrek gesproken moet worden, heeft hij een nieuwe FML van 12 januari 2012 opgesteld met een aantal beperkingen op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren - onder andere betreffende voorgestructureerd werk, deadlines, handelingstempo en omgaan met conflicten. Arbeidsdeskundige J. van Dijk heeft in zijn rapport van 16 januari 2012 op basis van laatstbedoelde FML een aantal voor appellant geschikte functies geduid, waarmee het verlies aan verdiensten van appellant uitkomt op 30,21%. De gemachtigde van appellant heeft onder meer gesteld dat gelet op de door de deskundige gegeven beschrijving van de klachten van appellant het niet aannemelijk is dat hij in loonvormende arbeid kan functioneren.

2.4. De rechtbank heeft het rapport van de deskundige aangemerkt als voldoende volledig en zorgvuldig alsmede inzichtelijk gemotiveerd. De bezwaarverzekeringsarts is er op grond van dit rapport met recht van uitgegaan dat de psychische klachten van appellant niet voortvloeien uit ziekte of gebrek; de rechtbank heeft het primaire standpunt van het Uwv onderschreven.

3.

In hoger beroep heeft appellant nogmaals gesteld dat wel degelijk sprake is van ziekte

en - voor wat betreft de subsidiaire stelling van het Uwv - dat in de FML van 12 januari 2012 meer beperkingen opgenomen hadden moeten worden. Daartoe is gewezen op het eerder genoemde rapport van 6 juni 2011 van Van der Boog, op de brief van 9 december 2010 van de behandelend psychiater R.J. Rutgers en op het schrijven van 6 mei 2013 van T. Voorhorst, sociaal psychiatrisch verpleegkundige.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de rechtspraak van de Raad is geoordeeld dat een specifieke (afwijkende) persoonlijkheidsstructuur in het algemeen niet als ziekte of gebrek is aan te merken, maar dat deze wel kan bijdragen aan een als ziekte of gebrek te kwalificeren toestand. Naar het oordeel van de Raad volgt uit het rapport van Hondema - welk rapport met de rechtbank als voldoende adequaat en inzichtelijk wordt aangemerkt - dat laatstbedoelde situatie hier aan de orde is. De deskundige stelt immers niet alleen vast dat sprake is van een aanpassingsstoornis, maar ook van een persoonlijkheidsstoornis, waarbij hij spreekt over een duurzaam patroon van afwijkingen. Op grond daarvan adviseert hij tot het aannemen van beperkingen die niet anders geduid kunnen worden dan als beperkingen die zijn terug te voeren op ziekte of gebrek. De primaire stelling van het Uwv dient dan ook te worden verworpen.

4.2.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit dat uitsluitend op de primaire stelling is gebaseerd, vernietigd dient te worden. Vervolgens is, in verband met het later ingenomen subsidiaire standpunt, de vraag aan de orde of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

4.3.

Appellant heeft gesteld dat er veel meer beperkingen in de FML van 12 januari 2012 opgenomen dienen te worden en dat zelfs sprake is van een volledig onvermogen tot het verrichten van arbeid op de vrije arbeidsmarkt. Een en ander is echter alleen gebaseerd op de in het rapport van Hondema opgenomen anamnese en de brieven van Rutgers en Voorhorst. Hondema heeft in zijn rapport op grond van zijn onderzoek - dus niet alleen op basis van de anamnese - afgewogen ten aanzien van welke beperkingen opname in de FML wel respectievelijk niet geïndiceerd is; er wordt geen aanleiding gezien de deskundige daarin niet te volgen. Rutgers spreekt weliswaar van een depressie in engere zin en van een angststoornis, maar dit oordeel is niet terug te voeren op specifieke psychiatrische onderzoeksbevindingen. Evenmin kan uit zijn brief worden afgeleid dat appellant meer beperkt is dan waarvan in de FML is uitgegaan. De brief van Voorhorst dateert van ver na de datum in geding. Er bestaat geen aanleiding om meer of andere beperkingen in de FML van 12 januari 2012 op te nemen.

4.4.

De arbeidsdeskundige heeft uitgaande van deze FML voor appellant gelet op zijn beperkingen geschikte functies geduid. Diens rapport moet als voldoende deugdelijk worden aangemerkt en is als zodanig ook niet inhoudelijk bestreden. Er is geen reden om de geselecteerde functies niet als in medisch opzicht passend voor appellant te beschouwen.

4.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Er bestaat aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

5.

Met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht dient het Uwv te worden veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.461,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 974,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 mei 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.435,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Wentholt als voorzitter en R.E. Bakker en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2014.

(getekend) K. Wentholt

(getekend) D.E.P.M. Bary

CVG