Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:628

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2014
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
10-2011 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het vervallen van de verklaring over het jaar 1973 is appellant schuldig nalatig geweest om acht gehele jaarpremies te betalen. Het AOW-pensioen wordt daarom met 16% gekort. Appellant ontvangt een nabetaling over april 2009 tot en met september 2013 en voorts de wettelijke rente vanaf mei 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2011 AOW, 13/6106 AOW

Datum uitspraak: 21 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van

24 februari 2010, 09/1113 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 9 augustus 2013 een tussenuitspraak gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb bij brief van 26 september 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar van 24 september 2013 genomen.

Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen.

Bij brief van 3 januari 2014 heeft de Raad partijen meegedeeld dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en dat het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

Aangezien het bestreden besluit van 24 september 2013 niet geheel aan het beroep van appellant tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep van appellant geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 24 september 2013. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van

9 augustus 2013 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hij volstaat hier met het volgende.

2.

Het geschil betreft de bij het besluit van 28 januari 2009 aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) met een korting van 18% omdat appellant over de jaren 1969 tot en met 1973 en 1975 tot en met 1980 schuldig nalatig is verklaard de verschuldigde premie te betalen. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van

28 januari 2009 is bij besluit van 5 juni 2009 ongegrond verklaard.

3.

In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat, met uitzondering van het jaar 1973, appellant de verzending naar het juiste adres van de beslissingen en overige correspondentie inzake de schuldignalatigverklaringen niet heeft bestreden. Daarmee staat vast dat deze beslissingen op de juiste wijze zijn bekend gemaakt. Naar het oordeel van de Raad hebben deze beslissingen daarmee in beginsel formele rechtskracht verkregen en konden door de Svb dan ook met recht aan het besluit van 5 juni 2009 ten grondslag worden gelegd. Anders dient te worden geoordeeld ten aanzien van de beslissing over het jaar 1973. Deze beslissing is, ook naar het oordeel van de Svb zelf, niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dat brengt mee dat de in het besluit van 5 juni 2009 opgenomen korting op de AOW-uitkering van appellant, voor zover die korting zijn grondslag vindt in de schuldignalatigverklaring over het jaar 1973, niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering mist. De Raad heeft de Svb opgedragen dit gebrek in het besluit van 5 juni 2009 te herstellen.

4.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb bij het besluit van 24 september 2013 het bezwaar van appellant gegrond verklaard voor zover de korting op zijn AOW-pensioen is gebaseerd op de schuldignalatigverklaring over het jaar 1973. Voor het overige is het bezwaar ongegrond. Met het vervallen van de verklaring over het jaar 1973 is appellant schuldig nalatig geweest om acht gehele jaarpremies te betalen. Het AOW-pensioen wordt daarom met 16% gekort. Appellant ontvangt een nabetaling over april 2009 tot en met september 2013 en voorts de wettelijke rente vanaf mei 2009.

5.

Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak en hiervoor is overwogen komt de Raad tot de hieronder vermelde beslissing.

6.

De Raad ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 487,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.461,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juni 2009 gegrond en vernietigd dit besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 24 september 2013 ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.461,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 152,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en E.E.V. Lenos en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2014.

(getekend) H.J. Simon

(getekend) G.J. van Gendt

IvR