Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:613

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
12-4211 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4211 WWB, 12/4212 WWB

Datum uitspraak: 25 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 juni 2012, 11/980, 11/1726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Gennep (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.A.J.L. van Elk de Freese, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 januari 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Elk de Freese. Het college heeft zich, zoals bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 27 november 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres[adres] te [woonplaats]. Naar aanleiding van een fraudemelding dat appellante al minstens 1,5 jaar een gezamenlijke huishouding voert met appellant, heeft de sociale recherche Limburg-Noord een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van onderzoek van 22 juli 2010 en een aanvullend rapport van onderzoek van 29 september 2010. In het kader van het onderzoek hebben waarnemingen plaatsgevonden in de omgeving van de woning van appellante, zijn getuigen gehoord en zijn appellanten verhoord.

1.2.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

15 november 2010 de bijstand van appellante over de periode van 1 juni 2008 tot en met

15 juli 2010 in te trekken en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 36.200,31 van appellante terug te vorderen. Het college legt daaraan ten grondslag dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Zij had als gevolg daarvan geen recht op bijstand. Bij het besluit van 9 november 2010 heeft het college dit bedrag van appellant mede teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 23 mei 2011 heeft het college het besluit van 15 november 2010 ingetrokken en bijstand van appellante ingetrokken over de periode van 15 juli 2008 tot en met 15 juli 2010 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 36.686,03.

1.4.

Bij besluit van 23 mei 2011 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 november 2010 gegrond verklaard in die zin dat van appellant het in 1.3 genoemde bedrag wordt mede teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 1 november 2011 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 mei 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellanten hielden in de periode hier in geding afzonderlijke adressen aan. Dat gegeven hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.3.

De gedingstukken bieden voldoende grond voor het oordeel dat appellanten in de hier te beoordelen periode van 15 juli 2008 tot en met 15 juli 2010 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Appellante heeft tijdens haar verhoor op 14 juli 2010 verklaard dat zij en appellant vanaf de zomer van 2008 bij elkaar wonen. Verder heeft zij verklaard dat alle kleding en administratie van appellant in haar woning ligt. Daarnaast vindt het standpunt van het college dat appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden steun in diverse verklaringen van getuigen, waaronder de verklaring van de zoon van appellant. Zo heeft de zoon van appellant op 15 juli 2010 verklaard dat zijn vader de afgelopen 1,5 à 2 jaar op een enkele nacht na altijd bij appellante heeft gewoond.

4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat aan de verklaring van 15 juli 2010 van de zoon van appellant geen betekenis toekomt, omdat hij die verklaring later heeft ingetrokken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de zoon zijn verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Van belang is dat hij zijn verklaring, na lezing, heeft ondertekend. Daarnaast is de verklaring gedetailleerd en vindt deze steun in de verklaringen van andere getuigen en appellanten zelf. De stelling dat bepaalde, niet genoemde getuigen, vanwege sympathie met de ex-man van appellante, onjuist hebben verklaard, is niet onderbouwd. Bovendien sporen de verklaringen van die getuigen met de verklaringen van appellanten zelf. Evenmin is de stelling onderbouwd dat de sociale recherche bepaalde ontlastende verklaringen achterwege heeft gelaten. Reeds daarom faalt deze stelling.

4.5.

Appellanten betogen dat, omdat appellant in verband met zijn werk vaak buiten de gemeente Gennep verbleef, geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. Die omstandigheid staat echter niet aan een hoofdverblijf op het adres van appellante in de weg. Appellant heeft tijdens het verhoor op 14 juli 2010 immers verklaard dat hij, als hij van zijn werk thuis kwam, naar de woning van Mans ging en dat hij daar dan ook verbleef.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant en appellante gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.7.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.8.

Ter zitting hebben appellanten aangevoerd dat niet is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg, omdat de zorg niet voortdurend aanwezig was in verband met het verblijf van appellant in het buitenland. De rechtbank heeft echter terecht overwogen dat uit het onderzoek van de sociale recherche voldoende feiten en omstandigheden naar voren komen die de conclusie kunnen dragen dat appellanten voorzien in wederzijde zorg. Daartoe is van belang dat appellante aan appellant onderdak biedt en heeft verklaard dat zij voor appellant kookt, zijn was doet en het huishouden doet. Verder eten zij samen in de woning van appellante. Appellant betaalt als er grote boodschappen gedaan moeten worden en heeft zijn wasmachine en computer overgebracht naar de woning van appellante. Appellant heeft verklaard dat hij met appellante is meegegaan naar de tandarts en deze rekening ook gedeeltelijk heeft betaald. Ook heeft appellant het communiefeest van de zoon van appellante betaald. De omstandigheid dat appellant voor zijn werk veelvuldig buitenshuis was, maakt niet dat de wederzijdse zorg slechts incidenteel zou zijn geweest. Op de momenten dat appellanten bij elkaar waren was sprake van wederzijdse zorg die meer dan incidenteel is geweest.

4.9.

Appellant kan niet gevolgd worden in zijn ter zitting naar voren gebrachte beroepsgrond dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellant op de hoogte was van de op appellante rustende inlichtingenverplichting. Anders dan appellant lijkt te betogen volgt uit artikel 59, tweede lid, van de WWB niet dat de kosten van bijstand alleen van hem kunnen worden teruggevorderd als ook hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het gaat er echter om dat appellante haar inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Ten aanzien van degene met wie een gezamenlijke huishouding is gevoerd, is in artikel 59, tweede lid, van de WWB slechts bepaald dat van hem teruggevorderd kan worden indien bij de verlening van bijstand met diens middelen rekening gehouden had moeten worden. Dat is hier het geval.

4.10.

Uit het voorgaande volgt dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Dit betekent dat het daartegen gerichte hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD