Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
12-4962 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Appellante heeft niet voldoende gedaan om haar werknemer te re-integreren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4962 WIA

Datum uitspraak: 26 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van

1 augustus 2012, 11/1025 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] gevestigd te[vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. E.C. Spiering, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 januari 2014. Voor appellante is

mr. drs. Spiering verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 23 december 2010 heeft het Uwv het tijdvak waarin de werknemer jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken tot 12 januari 2012. Die verlenging - ook wel loonsanctie genoemd - is opgelegd, omdat appellante niet voldoende heeft gedaan om haar werknemer te re-integreren, terwijl er wel arbeidsmogelijkheden waren. Bij het opleggen van de loonsanctie heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in verbinding met artikel 65 van die wet.

1.2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv onder andere dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapporten van een bezwaarverzekeringsarts van 22 juni 2011 en van een bezwaararbeidsdeskundige van 25 juli 2011, ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - vastgesteld dat geen sprake is van een bevredigend resultaat, nu niet is gekomen tot werkhervatting van de werknemer. Volgens de rechtbank heeft het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante in de periode hier in geding onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Met betrekking tot de beroepsgrond van appellante dat het Uwv ten onrechte slechts één voortgangsrapportage bij de heroverweging in bezwaar heeft betrokken, heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv ten tijde van de bezwaarfase slechts over één rapportage beschikte. Het nadere, bij het aanvullend bezwaarschrift van 13 juli 2011 door appellante ingebrachte rapport komt volgens de rechtbank inhoudelijk nagenoeg overeen met het rapport dat het Uwv al ter beschikking stond. Ook het door appellante in de beroepsfase ingebrachte rapport heeft het Uwv volgens de rechtbank niet bij zijn herbeoordeling kunnen betrekken omdat het rapport pas op 3 oktober 2011 is opgemaakt. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat ook al zou het Uwv het rapport van 3 oktober 2011 bij zijn heroverweging hebben betrokken dan nog zou dat geen wijziging hebben gegeven in het besluit dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Volgens de rechtbank wordt in het rapport van 3 oktober 2011 bevestigd dat het beoogde stappenplan niet tot uitvoering is gebracht en het medische klachtenpatroon van de werknemer telkens belemmeringen en mislukkingen in het traject veroorzaakte, terwijl aan dat medische klachtenpatroon geen medisch objectieve onderbouwing ten grondslag lag.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken terecht heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of in de periode van maart 2010 tot mei 2011 sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat de inhoud van het rapport van 3 oktober 2011 onmiskenbaar betrekking heeft op de periode hier in geding en het rapport om die reden bij de beoordeling had moeten worden betrokken. Uit het rapport blijkt volgens haar dat de re-integratie-inspanningen in het zogeheten tweede spoor adequaat en toereikend zijn geweest. Volgens appellante heeft de rechtbank daarvoor ten onrechte geen oog gehad.

4.2.

Het in hoger beroep bepleite en overigens niet nader onderbouwde standpunt van appellante wordt niet gevolgd. Met de rechtbank wordt vastgesteld dat het hier bedoelde rapport van 3 oktober 2011 twee maanden later is opgemaakt dan het bestreden besluit waardoor het voor het Uwv feitelijk onmogelijk was de bevindingen van dat rapport bij zijn heroverweging van het loonsanctiebesluit van 23 december 2010 te betrekken. In dit verband wordt overigens gewezen op het rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 29 juni 2012. Daaruit blijkt genoegzaam dat meergenoemd rapport van 3 oktober 2011 alsnog is beoordeeld en er geen aanleiding bestaat om het eerdere ingenomen standpunt te herzien.

4.3.

Ook wordt appellante niet in haar standpunt gevolgd dat de rechtbank geen oog zou hebben gehad voor het rapport van 3 oktober 2011. Daartoe wordt gewezen op het gestelde onder punt 3.4.3 van de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank heeft overwogen dat ook uit het rapport van 3 oktober 2011 blijkt dat appellante de re-integratie in het tweede spoor onvoldoende adequaat heeft aangepakt en zij tijd verloren heeft laten gaan door een klachtcontingente aanpak in plaats van een tijdcontingente aanpak, terwijl bovendien niet is gebleken dat het re-integratietraject daadwerkelijk de afgesproken 12 maanden heeft geduurd.

5.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - moet worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) S. Aaliouli

HD