Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
12-28 AOR-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het invaliditeitspercentage bij appellante is destijds abusievelijk gesteld op 25%. De bij appellante vastgestelde beperkingen zouden een inschaling rechtvaardigen in de invaliditeitsklasse I, waarbij een percentage van 15 hoort. Uitgangspunt is en blijft vooralsnog het besluit van 4 januari 2008 en het daarin neergelegde invaliditeitspercentage. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering. De Raad acht het aangewezen dat verweerster een nader standpunt inneemt en dit neerlegt in een nieuw besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/28 AOR-T

Datum uitspraak: 20 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (verweerster)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 5 december 2011, kenmerk 0007365/CAOR (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2014. Voor appellante is

mr. Van Berkel verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.L.M.J. Gielen. Van de zijde van verweerster is tevens verschenen haar geneeskundig adviseur drs. G.M. van der Molen, arts. 

OVERWEGINGEN

1.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2013.

1.1.

Appellante, geboren in 1939 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in september 2006 verzocht om een uitkering en voorzieningen op grond van de AOR. Naar aanleiding van de aanvraag is appellante onderzocht door de arts A.S.E.P. Textor. Deze arts concludeerde dat bij appellante sprake is van oorlogsletsel (psychische klachten inclusief spanningshoofdpijn) en achtte de inschaling van de invaliditeit in klasse II van de AMA-scales gerechtvaardigd. Het daarbij behorende invaliditeitspercentage van 25 moet naar het oordeel van Textor voor de helft worden toegeschreven aan de oorlogscalamiteiten. Bij besluit van 4 januari 2008 is appellante vervolgens erkend als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR en in aanmerking gebracht voor voorzieningen. De tevens gevraagde periodieke uitkering is niet aan haar toegekend op de grond dat het oorlogsletsel niet heeft geleid tot een ongeschiktheid tot het verrichten van passende arbeid. Hieraan lag ten grondslag dat de (tot 1 december 2008 geldende) drempel van 20 % causale arbeidsongeschiktheid niet werd bereikt. Tegen het besluit van 4 januari 2008 is geen bezwaar gemaakt.

1.2.

In april 2011 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenning van een invaliditeitsuitkering op grond van de AOR. Die aanvraag is door verweerster afgewezen bij besluit van 21 april 2011, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. In dat verband heeft verweerster overwogen dat bij AOR-gerechtigden geen herkeuringen plaatsvinden na het bereiken van de 70-jarige leeftijd. Een na het 70ste levensjaar ingediend hernieuwd verzoek om een periodieke uitkering kan dan ook niet meer worden gehonoreerd, aldus verweerster.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Blijkens de gedingstukken en de ter zitting gegeven toelichting ziet verweerster geen aanleiding om AOR-gerechtigden van 70 jaar of ouder bij een hernieuwd verzoek om toekenning van een uitkering aan een herkeuring/herbeoordeling te onderwerpen, omdat na die leeftijd geen sprake meer is of kan zijn van een verder verloren verdiencapaciteit. Dit uitgangspunt heeft verweerster ontleend aan een uitspraak van de Raad van 8 november 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3013).

2.2.

De Raad kan het door verweerster ingenomen standpunt niet onderschrijven. Op

8 november 2006 heeft de Raad in een aantal gelijksoortige AOR-gedingen geoordeeld dat het niet getuigt van een onjuiste of onredelijke uitleg of toepassing van de AOR als een uitkering niet meer wordt toegekend als de aan het oorlogsletsel toe te schrijven invaliditeit is ontstaan ná het bereiken van de 70-jarige leeftijd. In de onder 2.1 genoemde zaak heeft dat uitgangspunt geleid tot het oordeel dat bij verzoeken om herkeuring ingediend vóór de

70-jarige leeftijd steeds in volle omvang moet worden beoordeeld of er sprake is van een toename van de causale arbeidsongeschiktheid. Dat de betrokkene wel reeds de leeftijd van

65

jaar had bereikt, stond dus niet aan herkeuring in de weg. In het geval van appellante gaat het echter om iemand die de leeftijd van 70 jaar reeds heeft overschreden. In zo’n geval vergt een juiste toepassing van de AOR dat bij elke aanvraag dient te worden nagegaan of er sprake is van een vóór die leeftijd ingetreden causale arbeidsongeschiktheid (CRvB 8 november 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3028). Dit brengt mee dat bij een hernieuwd verzoek dat is ingediend na het 70ste jaar dient te worden beoordeeld of een eerder vastgestelde arbeidsongeschiktheid mogelijkerwijs vóór die leeftijd is toegenomen. Het zonder meer achterwege laten van een herkeuring enkel op grond van de leeftijd van een betrokkene vindt geen steun in meergenoemde uitspraken. Een dergelijke beoordeling heeft verweerster ten onrechte achterwege gelaten. Dat appellante tegen het eerdere besluit geen bezwaar heeft gemaakt doet hieraan niet af.

2.3.

Ter zitting is namens verweerster verklaard dat het invaliditeitspercentage bij appellante destijds abusievelijk is gesteld op 25%. De bij appellante vastgestelde beperkingen zouden een inschaling rechtvaardigen in de invaliditeitsklasse I, waarbij een percentage van 15 hoort. Wat hiervan verder ook zij, uitgangspunt is en blijft vooralsnog het besluit van 4 januari 2008 en het daarin neergelegde invaliditeitspercentage. Het thans door verweerster ingenomen standpunt kan het overwogene onder 2.2 dan ook niet anders maken.

2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit strijdt met artikel 7:12 van de Awb omdat het niet op een deugdelijke motivering berust. Als gevolg daarvan is verweerster ten onrechte niet overgegaan tot een medische beoordeling van het verzoek om herkeuring.

2.5.

De Raad acht het aangewezen dat verweerster een nader standpunt inneemt en dit neerlegt in een nieuw besluit. Van mogelijke benadeling van derden is daarbij geen sprake. Aan verweerster zal dan ook met toepassing van artikel 17, zesde lid, van de Beroepswet worden opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De Raad zal daarvoor, mede gelet op de noodzaak van medische advisering, een termijn van drie maanden stellen.

3.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Op dit verzoek zal de Raad bij de einduitspraak beslissen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt verweerster op binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak het gebrek in het besluit van 5 december 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD