Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
12-5000 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:4029, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede-)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens, in onderlinge samenhang bezien, voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant en betrokkene gedurende de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5000 WWB

Datum uitspraak: 25 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2012, 11/3763 en 11/4504 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Haze, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2014. Namens appellant is verschenen mr. L.E.J. Vleesenbeek, opvolgend advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is van 8 december 1989 tot en met 8 januari 2001 gehuwd geweest met

[betrokkene] ([betrokkene]). Uit dat huwelijk zijn drie kinderen geboren. [betrokkene] ontving in de periode van 1 februari 2000 tot 1 april 2011 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). [betrokkene] staat vanaf 1 oktober 1998 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1] [huisnummer] te [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van een fraudemelding van 6 oktober 2010 dat appellant ook op het adres van [betrokkene] en haar kinderen woonachtig is, heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [betrokkene] verleende bijstand. In dat kader heeft onder meer dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn diverse instanties om inlichtingen verzocht, is onderzoek verricht in de woning van [betrokkene], zijn appellant en [betrokkene] verhoord en is buurtonderzoek verricht. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 maart 2011 en in een proces-verbaal dat is afgesloten op 3 mei 2011.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij afzonderlijke besluiten van

11 april 2011 de bijstand van [betrokkene] over de periode van 13 maart 2007 tot en met 31 maart 2011 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 65.226,26 van haar teruggevorderd, onderscheidenlijk van appellant mede teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat [betrokkene] niet aan het college heeft gemeld dat zij in de periode van 13 maart 2007 tot en met 31 maart 2011 op haar adres met appellant een gezamenlijke huishouding voerde, zodat [betrokkene] geen zelfstandig subject van bijstand was en geen recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.4.

Bij besluit van 28 juli 2011 heeft het college het bezwaar van [betrokkene] tegen het aan haar gerichte besluit van 11 april 2011 ongegrond verklaard. Bij besluit van 7 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het aan hem gerichte besluit van 11 april 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [betrokkene] tegen het besluit van 28 juli 2011 en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij zijn beroep ongegrond is verklaard. Appellant bestrijdt dat hij en [betrokkene] gedurende de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Dat hij regelmatig bij [betrokkene] over de vloer kwam, hield verband met het feit dat hij zijn kinderen bezocht. In dat kader dienen ook zijn pintransacties in de buurt van de woning van [betrokkene] te worden bezien. Volgens appellant heeft het college te weinig onderzoek gedaan en heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak de daadwerkelijke feiten in dezen miskend.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB kunnen, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dat achterwege is gebleven omdat de betrokkene de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2.

Voor de vaststelling dat appellant hier die persoon is, is vereist dat hij in de te beoordelen periode met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht als de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Vaststaat dat uit de relatie tussen appellant en [betrokkene] drie kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of in de te beoordelen periode van 13 maart 2007 tot en met 31 maart 2011 sprake was van een gezamenlijke huishouding is gelet daarop uitsluitend van belang of appellant en [betrokkene] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens, in onderlinge samenhang bezien, voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant en [betrokkene] gedurende de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Op 10 april 2007 heeft appellant tegenover de politie verklaard dat hij sinds vier weken bij zijn vrouw woont op het adres [adres 2] (door het college terecht begrepen als [adres 1]) [huisnummer]. [betrokkene] heeft op 21 maart 2011 verklaard dat appellant vanaf 2007 vaak aan het [adres 1] komt en dat hij soms blijft slapen, maar niet altijd. Appellant heeft op 21 maart 2011 tevens verklaard dat hij sedert 2007 of 2008 weer aan het [adres 1] komt, dat hij daar altijd is, daar elke dag komt en daar ook bleef slapen, maar niet elke dag. Het huurcontract van de woning van [betrokkene] staat sinds 21 september 1998 op naam van [betrokkene] en appellant tezamen. Op het naambordje bij de ingang van het gebouw aan het [adres 1] staan bij nummer [huisnummer] zowel de naam van [betrokkene] als die van appellant vermeld. Gedurende de te beoordelen periode stond appellant niet (elders) ingeschreven in de GBA. In Suwinet staat als feitelijk adres van appellant het adres van [betrokkene] vermeld. De post van appellant, waaronder zijn loonstroken en zijn bankafschriften, zijn geadresseerd aan het adres van [betrokkene]. Blijkens zijn bankafschriften heeft appellant over de periode van 1 december 2007 tot en met 31 december 2010 voornamelijk gepind in de buurt van het adres van [betrokkene]. In de woning van [betrokkene] zijn persoonlijke eigendommen van appellant zoals kleding en administratie aangetroffen. Buren van [betrokkene] hebben op 21 maart 2011 verklaard dat op nummer [huisnummer] een man, vrouw en drie of vier kinderen wonen die er al vijf of zes jaar, onderscheidenlijk sinds twee of drie jaar wonen.

4.4.

Gelet op wat in 4.3 is overwogen, kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat het college te weinig onderzoek heeft verricht en dat de rechtbank de daadwerkelijke feiten heeft miskend. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de feiten en omstandigheden die appellant daar tegenover heeft gesteld onvoldoende gewicht in de schaal leggen om tot een andere conclusie te komen. De Raad onderschrijft wat de rechtbank daartoe in rechtsoverweging 4.1.4 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat appellant in de periode van 13 maart 2007 tot en met 31 maart 2011 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [betrokkene]. Gelet hierop slaagt het hoger beroep van appellant niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.C.R. Schut en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M. Sahin

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD