Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:581

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
12-1132 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting. Werkzaamheden voor de cafetaria.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1132 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 januari 2012, 10/1317 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 13 januari 2014. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 januari 2004 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van de op 9 juni 2009 bij de gemeente Hengelo binnengekomen anonieme tip dat appellante zwart werkt, heeft de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft onder meer dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn waarnemingen verricht nabij de woning van appellante en nabij [naam cafetaria] in [vestigingsplaats 1] (cafetaria), zijn gegevens over de bankrekening van appellante opgevraagd, is appellante verhoord en zijn getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 19 april 2010.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 1 juli 2010 de bijstand van appellante over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 8 april 2010 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.644,47 van appellante teruggevorderd. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante over de periode van 23 oktober 2009 tot en met 8 april 2010 werkzaamheden heeft verricht voor het cafetaria en dat appellante in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 7 januari 2010 werkzaamheden heeft verricht voor [T. 1] te[vestigingsplaats 2] ([T. 1]), waarmee appellante geacht wordt inkomsten te hebben gehad van respectievelijk € 90,- per week en € 200,- per maand.

Tevens heeft het college bij dit besluit bij wijze van maatregel de bijstand van appellante met € 400,07 verlaagd op de grond dat zij haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door de hiervoor aangeduide werkzaamheden niet aan het college te melden.

1.4.

Bij besluit van 9 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich op de volgende gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij bestrijdt dat zij in de door het college daarvoor aangehouden periode vier uur per week betaalde, althans op geld waardeerbare werkzaamheden voor [T. 1] heeft verricht. Met betrekking tot de werkzaamheden voor het cafetaria heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de motieven van appellante om buitenshuis te gaan werken niet voldoende heeft meegewogen en dat bij de zelfstandige beoordeling van de werkzaamheden te snel is aangenomen dat dit op geld waardeerbare arbeid betrof. Appellante is verder van mening dat sprake is van dringende redenen van sociale aard om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien en dat bij appellante subjectieve verwijtbaarheid voor het opleggen van een maatregel ontbreekt, althans dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van het opleggen van een maatregel af te zien.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij zijn afmelding voor de zitting heeft het college tevens nader verweer gevoerd. De Raad heeft de desbetreffende brief aan het college teruggezonden aangezien deze te laat, namelijk binnen de termijn van tien dagen voorafgaand aan de zitting als bedoeld in

artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is ingediend.

4.2.

Met betrekking tot de werkzaamheden bij [T. 1] heeft de rechtbank geoordeeld dat het college heeft mogen uitgaan van de verklaring die [T. 1] tegenover de sociale recherche heeft afgelegd, inhoudende dat appellante in de periode van oktober 2009 tot en met 7 januari 2010 vier uur per week werkzaamheden voor haar heeft verricht. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat de verklaring van [T. 1], in tegenstelling tot de verklaring van appellante, duidelijk en consistent is. De Raad kan zich geheel vinden in dit oordeel en in de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid. Appellante heeft daartegenover in hoger beroep slechts gesteld dat geen sprake was van betaalde, althans op geld waardeerbare werkzaamheden. Dat is zonder meer onvoldoende voor een ander oordeel. In dit verband is van belang dat appellante tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat [T. 1] haar een berichtje heeft gestuurd met de mededeling dat zij geen geld meer had en dat appellante niet meer hoefde te komen.

4.3.

De werkzaamheden die appellante verrichtte in het cafetaria - schoonmaken en

opruimen - behoren tot de reguliere werkzaamheden die aan de uitoefening van een dergelijk bedrijf zijn verbonden. Appellante verrichtte deze werkzaamheden gedurende zes dagen in de week, in de ochtenduren, ongeveer anderhalf uur per dag. Gelet daarop, heeft het college deze werkzaamheden terecht aangemerkt als op geld waardeerbare arbeid en heeft de rechtbank het college daarin terecht gevolgd. De Raad begrijpt het standpunt van appellante in hoger beroep zo, dat het ging om therapeutische arbeid omdat zij daarmee bereikte dat zij meer buitenshuis zou zijn. In de door appellante overgelegde stukken met betrekking tot de behandeling van haar psychische klachten kunnen echter geen aanknopingspunten worden gevonden voor het standpunt dat deze werkzaamheden pasten in haar behandeling voor deze klachten. Dat blijkt ook niet uit haar verklaring hierover tegenover de sociale recherche of uit de verklaring die de eigenaar van het cafetaria heeft afgelegd. Daaruit blijkt dat appellante en de eigenaar van het cafetaria elkaar kenden en dat appellante deze eigenaar wilde helpen. Ook dit laatste motief maakt overigens niet dat van op geld waardeerbare arbeid geen sprake was.

4.4.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar situatie sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Met name is niet gebleken van onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering van sociale aard. Dat het afzien van terugvordering bijdraagt aan het herstel van de in de gedingstukken beschreven, al geruime tijd bestaande psychische klachten van appellante, is daarvoor onvoldoende. Evenmin is daarvoor voldoende dat appellante, zoals zij stelt, zich nog steeds door de sociale recherche achtervolgd en bespied voelt. Daarbij gaat het immers niet om een gevolg van het terugvorderingsbesluit als zodanig.

4.5.

Appellante heeft aan het college geen melding gedaan van haar werkzaamheden voor het cafetaria en voor [T. 1]. Het gaat hier om feiten waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed konden zijn op (de omvang van) haar recht op bijstand. Zij heeft daarmee haar wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Deze gedraging heeft geleid tot terugvordering van ten behoeve van appellante gemaakte kosten van bijstand. Dat betekent dat het college met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 8 van de Maatregelenverordening van de gemeente Hengelo gehouden was de bijstand van appellante te verlagen. In de gedingstukken, waaronder de gegevens over de psychische klachten van appellante, kan niet voldoende grondslag worden gevonden voor het standpunt van appellante dat deze gedraging haar in het geheel niet kan worden verweten dan wel dat sprake is van dringende redenen om van het opleggen van de maatregel van verlaging geheel af te zien. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uit de verklaring van appellante tegenover de sociale recherche blijkt dat zij op de hoogte was van haar verplichtingen ingevolge de WWB. Verder is van belang dat uit de gedingstukken weliswaar kan worden afgeleid dat sprake was van psychologische begeleiding van en verlening van AWBZ-zorg aan appellante, maar niet dat zij ten tijde hier van belang niet zelfredzaam was. Ten slotte wordt ook in dit verband gewezen op wat in 4.4 is overwogen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de beroepsgronden van appellante geen doel treffen. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.C.R. Schut en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M. Sahin

HD