Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:580

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
12-2276 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting. Inkomsten uit verkoopactiviteiten op marktplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/67

Uitspraak

12/2276 WWB, 12/2277 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

13 maart 2012, 11/1592 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H.J.W. Weekers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Weekers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Barentsen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 1 juli 2005 bijstand naar de norm voor gehuwden ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de politie dat er vanuit de woning van appellanten, op het adres [adres 1.] te [naam gemeente], sprake zou zijn van het verhandelen van goederen, heeft de sociale recherche van de gemeente Leudal een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, informatie bij Marktplaats.nl opgevraagd en appellanten op 21 maart 2011 verhoord. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van

28 maart 2011. Uit het onderzoek is gebleken dat appellanten goederen verkochten via de Marktplaats.nl. In de periode van 5 oktober 2009 tot en met 28 januari 2011 hebben appellanten 996 advertenties op Marktplaats.nl geplaatst, waarbij voornamelijk kleding en make-up is aangeboden. Het betrof nieuwe en tweedehandse goederen. Blijkens de door appellanten op 22 maart 2011 overgelegde bankafschriften heeft in de periode van november 2009 tot en met maart 2011 een aanzienlijk aantal transacties plaatsgevonden.

1.3.

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college het recht op bijstand van appellanten met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB vanaf 1 maart 2011 opgeschort. Daarbij zijn appellanten in de gelegenheid gesteld om voor 29 april 2011 volledige inzage te geven in de handelsactiviteiten op Marktplaats.nl. Zij dienden hiertoe een volledige boekhouding of administratie over de periode november 2009 tot en met maart 2011 over te leggen.

1.4.

Appellanten hebben op 15 april 2011 overzichten ingeleverd van de bankafschrijvingen en de inkomsten die betrekking hebben op de verkopen via Marktplaats.nl. De overzichten hebben betrekking op twee bankrekeningen. Appellanten hebben gemeld dat zij in een drietal gevallen contant geld hebben ontvangen.

1.5.

Bij besluit van 2 mei 2011 heeft het college de bijstand van appellanten met toepassing van artikel 54, derde lid aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 5 oktober 2009 ingetrokken en de over de periode van 5 oktober 2009 tot en met 31 maart 2011 gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot een bedrag van € 20.672,66 van appellanten teruggevorderd. Aan de intrekking van de bijstand heeft het college ten grondslag gelegd dat de door appellanten aangeleverde informatie niet kan worden aangemerkt als een deugdelijke administratie of boekhouding. Appellanten hebben verwijtbaar de op hen rustende wettelijke inlichtingenplicht geschonden. Zij hebben volgens het college onvoldoende inzicht verschaft in de omvang van de verkoopactiviteiten en de daaruit voortvloeiende inkomsten, waardoor het college niet kan beoordelen in hoeverre appellanten niet beschikken over voldoende middelen om in hun bestaan te voorzien.

1.6.

Bij besluit van 31 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 29 maart 2011 en 2 mei 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de opschorting van het recht op bijstand overwogen dat het college van appellanten mocht verlangen dat zij in één of andere vorm, bijvoorbeeld een boekhouding of een administratie, gegevens zouden verstrekken over hun structurele en omvangrijke verkoopactiviteiten en dat aan appellanten moet worden verweten dat zij de gevraagde gegevens niet hebben overgelegd, zodat het college tot opschorting bevoegd was. De rechtbank heeft verder overwogen dat, reeds op grond van het ontbreken van een deugdelijke administratie, het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft de door appellanten gestelde divergentie tussen het proces-verbaal van verhoor van

21 maart 2011 en het verslag van dat gesprek van 28 maart 2011 daarom niet beoordeeld.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben, samengevat, aangevoerd dat de opschorting onterecht is omdat zij reeds op 21 maart 2011 kenbaar hebben gemaakt niet te beschikken over een administratie en/of boekhouding en hen daarom niet kan worden verweten deze gegevens niet te hebben verstrekt. Appellanten betogen dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld aan de hand van de bijschrijvingen op de verstrekte bankafschriften en de opgegeven drie contante ontvangsten op 15 januari 2010, 21 januari 2010 en 23 december 2010. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellanten meer contante inkomsten hebben gehad. Dat de verkochte goederen vaak contant werden afgerekend, blijkt niet uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van verhoor van 21 maart 2011. Het gespreksverslag in het rapport van 28 maart 2011, waarin staat dat appellante dit zou hebben verklaard, wordt nadrukkelijk betwist. Appellanten hebben in hoger beroep een e-mailbericht van 24 december 2013 ingebracht waarin hun accountant verklaart dat over de in geding zijnde periode een totaalbedrag van € 2.469,37 aan ontvangsten via Marktplaats.nl is gerealiseerd. Appellanten nemen het standpunt in dat dit bedrag redelijkerwijs als inkomen dient te worden aangemerkt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De opschorting

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college het recht op bijstand opschorten indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent.

4.2.

Anders dan appellanten hebben aangevoerd, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat appellanten kan worden verweten dat zij de door het college gevraagde gegevens niet hebben overgelegd. Gegevens over de verkoopactiviteiten op marktplaats.nl en de daaruit verkregen inkomsten zijn van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Dat appellante tijdens haar verhoor op 21 maart 2011 desgevraagd al had meegedeeld geen boekhouding te hebben bijgehouden, brengt niet mee dat haar het niet verstrekken van de gevraagde gegevens niet kan worden verweten. Deze enkele mededeling doet niet af aan de bevoegdheid van het college om, nadat op 22 maart 2011 een gedeelte van de gegevens waarom op 21 maart 2011 was verzocht was ontvangen, vervolgens op 29 maart 2011 van appellanten te verlangen om voor 29 april 2011 meer inzicht in de handelsactiviteiten te verschaffen. Overigens zijn appellanten in staat geweest nog op 15 april 2011, dus binnen de termijn van opschorting, de in 1.4 vermelde overzichten van afschrijvingen en inkomsten te verstrekken. Het standpunt van appellanten dat het recht op bijstand ten onrechte is opgeschort wordt, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet gevolgd.

De intrekking

4.3.

De hier te beoordelen periode loopt van 5 oktober 2009 tot en met 2 mei 2011.

4.4.

Uit het ambtsedig proces-verbaal van verhoor van 21 maart 2011 blijkt niet dat appellante heeft verklaard dat de goederen vaak contant werden afgerekend. De Raad is met appellanten van oordeel dat het college niet heeft kunnen uitgaan van de juistheid van het in aanvulling op het proces-verbaal gemaakte verslag van het betreffende gesprek, zoals opgenomen in het rapport van 28 maart 2011. Daarbij is van belang dat het gespreksverslag eerst na afloop van het verhoor is opgemaakt, dat dit verslag niet aan appellante is voorgehouden en niet door haar voor akkoord is ondertekend. In zoverre dient het rapport van 28 maart 2011 als bewijs buiten beschouwing te blijven.

4.5.

Wat in 4.4 is overwogen behoeft in dit geval niet te leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft wel terecht geconcludeerd dat appellanten onvoldoende verifieerbare inlichtingen hebben verstrekt over hun inkomsten waardoor het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet is vast te stellen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

Dat appellanten, door bij het college geen melding te maken van de verkoopactiviteiten via Marktplaats.nl, hun wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden, is niet in geschil. Daarvan uitgaande was het aan appellanten om aannemelijk te maken dat zij, indien zij wel (tijdig) aan hun inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, recht zouden hebben gehad op (aanvullende) bijstand. Daarin zijn zij niet geslaagd.

4.5.2.

De bankafschriften, de overzichten en de beschreven drie contante ontvangsten vormen, mede gelet op het aantal van 996 advertenties op Marktplaats.nl, geen deugdelijke en sluitende administratie. Daarbij is van belang dat appellante tijdens het verhoor op 21 maart 2011 heeft verklaard dat de meeste kopers de goederen bij appellanten ophalen. Gelet hierop en gezien het grote aantal advertenties ten opzichte van het aantal girale betalingen, is in de eerste plaats niet aannemelijk dat ten tijde in geding in slechts drie gevallen contant is afgerekend. Voorts is aan de hand van de overgelegde stukken onvoldoende dan wel geen direct verband te leggen tussen een verkocht goed, de herkomst en aankoopsom ervan en de verkoopprijs ervan. Hierdoor kan geen goede en betrouwbare reconstructie worden gemaakt van de inkomsten van appellanten uit de handel via Marktplaats.nl en kunnen deze inkomsten ook niet schattenderwijs worden bepaald.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - met verbetering van de gronden - voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.C.R. Schut en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) M. Sahin

HD