Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:571

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
11-6955 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/65

Uitspraak

11/6955 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 oktober 2011, 11/1137 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Pieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 12/2244 WWB plaatsgehad op 13 januari 2014, waar namens appellant is verschenen mr. Pieters. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Uland en mr. A.F. Dekker. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 17 december 2010 heeft het college appellant bijstand toegekend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande over de periode van 25 november 2010 tot en met 24 december 2010. Hieraan lag ten grondslag dat appellant maximaal één maand gebruik kon maken van het gemeentelijk briefadres voor dak- en thuislozen ([briefadres] te [woonplaats]). Dit besluit is inmiddels in rechte onaantastbaar.

1.2.

Bij brief van 11 januari 2011 heeft appellant het college verzocht de bijstand met ingang van 29 december 2010 voort te zetten, omdat hij met ingang van die datum in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven stond op het adres aan de [opgegeven adres] te[woonplaats] (opgegeven adres). Appellant huurde vanaf 15 december 2010 een kamer op dat adres.

1.3.

Op 21 januari 2011 heeft de sociale recherche een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. De bevindingen van dit huisbezoek zijn neergelegd in een verslag van 25 januari 2011.

1.4.

Bij besluit van 28 januari 2011 heeft het college de aanvraag om voortzetting van bijstand afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek is gebleken dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft in een kamer op het opgegeven adres, zodat appellant de op hem ingevolge artikel 17 van de WWB rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en het recht op bijstand vanaf 25 december 2010 niet kan worden vastgesteld.

1.5.

Bij besluit van 31 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat de resultaten van het huisbezoek doen veronderstellen dat appellant ten tijde van de aanvraag om bijstand niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres en dat gesteld noch gebleken is dat hij elders binnen de gemeente Heerlen heeft verbleven, zodat de aanvraag terecht is afgewezen. Subsidiair is hieraan ten grondslag gelegd dat appellant kan beschikken over een zeer groot geldbedrag (circa € 700.000,-), zodat hierin eveneens een grond voor afwijzing is gelegen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. In dit kader heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 31 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6575, geoordeeld dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant ten tijde in geding niet daadwerkelijk woonachtig is geweest op het opgegeven adres. Daarbij heeft de rechtbank met name betekenis toegekend aan de bevindingen van het huisbezoek op 21 januari 2011. Door onjuiste inlichtingen te verstrekken over zijn werkelijke woonadres heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. Voorts is gesteld noch gebleken dat appellant elders in de gemeente heeft verbleven. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of appellant ten tijde in geding recht heeft op bijstand. Dit betekent dat het college de aanvraag om bijstand

- al daarom - op goede gronden heeft afgewezen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het college zijn bevoegdheid om bijstand te weigeren niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, namelijk voor het beoordelen van en het nemen van een besluit over het recht op bijstand.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 11 januari 2011 tot en met 28 januari 2011.

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. In een aanvraagsituatie ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant niet daadwerkelijk woonachtig was op het opgegeven adres, wordt onderschreven. Appellant was naar eigen zeggen al vanaf

29 december 2010 op het opgegeven adres woonachtig, toen het huisbezoek op 21 januari 2011 om 11.00 uur werd afgelegd. De kamer was zeer karig ingericht. Er stond een bed met spiraal maar zonder matras. Een tafel was niet aanwezig. In de kamer werd in het geheel geen kleding aangetroffen, met uitzondering van vier paar schoenen en een paar slippers. Appellant heeft, toen hem werd gevraagd hoe hij zijn maaltijden bereidde, verklaard dat hij in het geheel geen gebruik maakte van de gemeenschappelijke keuken. Hij kocht dagelijks broodjes, boter en beleg, die hij smeerde en belegde op zijn kamer en daar opat. Die dag had hij nog niet gegeten en moest nog naar de supermarkt. De koelkast was niet in gebruik. Nergens op zijn kamer werd servies, glaswerk of bestek aangetroffen. In de pedaalemmer zat geen afval, dus ook geen verpakkingsmateriaal van broodjes of broodbeleg. Ook elders op de kamer was geen afval en evenmin een rol met vuilniszakken. Er was geen stofzuiger of ander schoonmaakmateriaal aanwezig, terwijl geen enkele broodkruimel te zien was. Appellant verklaarde zijn dagen te vullen met het kijken van DVD’s en het maken van wandelingen, maar op zijn kamer lag geen enkele DVD.

4.4.

Het betoog van appellant dat niet mag worden uitgegaan van het verslag van het huisbezoek, omdat dit verslag zijn verklaringen deels onjuist dan wel tendentieus weergeeft en het verslag ook niet in zijn aanwezigheid is opgesteld en door hem is ondertekend, wordt niet gevolgd. Het verslag is vier dagen na het huisbezoek opgesteld en ondertekend door degenen die het huisbezoek hebben afgelegd, te weten de consulent en een sociaal rechercheur. Onder die omstandigheden is er geen grond om te betwijfelen dat de in het verslag vermelde constateringen zijn gedaan en dat de verklaringen van appellant juist zijn verwoord. Het enkele feit dat appellant het verslag niet heeft ondertekend staat niet aan de bruikbaarheid van het verslag voor de beoordeling van het recht op bijstand in de weg. Appellant is in bezwaar de gelegenheid geboden van het verslag van het huisbezoek kennis te nemen en daarop te reageren. Zowel in bezwaar als in (hoger) beroep heeft appellant de gedane constateringen niet bestreden. Hij heeft slechts kanttekeningen bij bepaalde constateringen geplaatst en daarvoor verklaringen gegeven, alsmede de op basis van de constateringen vermelde conclusies bestreden. De nadien gegeven verklaring dat hij wel degelijk gebruik maakte van de gemeenschappelijke keuken, wijkt af van de tot tweemaal toe tijdens het huisbezoek gegeven verklaring. Nu geen grond bestaat om aan te nemen dat het verslag niet een juiste weergave bevat van wat appellant heeft verklaard, is er geen reden om appellant niet te houden aan zijn ten overstaan van de sociaal rechercheur afgelegde verklaring.

4.5.

Het betoog van appellant dat de kamer zeer karig was ingericht omdat hij geen geld had voor de inrichting en in afwachting was van meubels van zijn moeder, hij bij zijn zoon en dochter de warme maaltijd gebruikte en daar ook zijn kleding had, zodat uit de bevindingen van het huisbezoek niet de conclusie kan worden getrokken dat hij niet op het opgegeven adres woonachtig was, wordt niet gevolgd. Op zichzelf is voorstelbaar dat iemand met een gebrek aan financiële middelen ook weinig persoonlijke bezittingen heeft, maar bij het huisbezoek aan het opgegeven adres zijn zo weinig ook van de meest essentiële zaken aangetroffen dat het niet aannemelijk wordt geacht dat appellant daar al een kleine maand woonachtig was. In die maand had hij zich ten minste van enige zaken kunnen voorzien, temeer omdat hij heeft verklaard door zijn zoon en dochter - ook financieel - te worden geholpen.

4.6.

Gelet op de onder 4.2 weergegeven bewijslast en gezien de bevindingen van het huisbezoek, behoefde het college geen aanleiding te zien voor verder onderzoek.

4.7.

Appellant heeft dan ook onjuiste inlichtingen verschaft over zijn feitelijke woon- en leefsituatie en met name zijn woonadres. Daarmee is hij tekortgeschoten in de nakoming van de op grond van artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate appellant ten tijde hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de WWB. Het college heeft de aanvraag van 11 januari 2011 dan ook terecht afgewezen.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en

Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) P.J.M. Crombach

HD