Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:570

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
12-2244 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Appellant beschikt over een vermogen van € 700.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/66

Uitspraak

12/2244 WWB

Datum uitspraak: 25 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 maart 2012, 11/1615 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Pieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 11/6955 WWB plaatsgehad op 13 januari 2014, waar namens appellant is verschenen mr. Pieters. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Uland en mr. A.F. Dekker. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot 25 december 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 11 januari 2011 heeft appellant het college verzocht de bijstand met ingang van 29 december 2010 voort te zetten. Bij besluit van

28 januari 2011 heeft het college die aanvraag afgewezen.

1.2.

Appellant heeft op 29 maart 2011 opnieuw een aanvraag ingediend om bijstand met ingang van 1 januari 2011.

1.3.

Bij brief van 8 april 2011 heeft het college appellant verzocht een aantal bewijsstukken over te leggen ten behoeve van de beoordeling van zijn recht op bijstand. Daarbij heeft het college onder meer gevraagd naar kopieën van bewijsstukken waaruit blijkt in hoeverre appellant nog beschikt over het vermogen van € 700.000,-. Wanneer appellant niet meer over het genoemde bedrag beschikt, dient hij aan te tonen op welke wijze hij dit bedrag heeft opgemaakt.

1.4.

Appellant heeft op 13 april 2011 aan het college bericht gegeven dat hij niet kan aantonen iets niet te hebben. Daarbij wijst hij erop dat hij op grond van de artikelen 20 en 23 van de Faillissementswet als failliet niet de beschikking en niet het beheer heeft over zijn goederen en vermogen, omdat dit bij de curator berust. Appellant ontkent buiten weten van de curator vermogen te hebben achtergehouden en stelt dat daarvoor ook geen bewijzen zijn.

1.5.

Bij besluit van 21 april 2011 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellant beschikt over een vermogen van € 700.000,-, zodat geen recht bestaat op bijstand.

1.6.

Bij besluit van 15 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat aannemelijk is dat appellant kon beschikken over het vermogen van € 700.000,-. Omdat appellant geen inlichtingen verstrekt ter beantwoording van de vraag in hoeverre hij nog beschikt over het vermogen, kan het college niet vaststellen of, en zo ja in welke mate, appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van het vonnis van de rechtbank van 16 december 2009 is komen vast te staan dat appellant € 700.000,- heeft opgenomen van een derdenrekening van zijn voormalig deurwaarderskantoor en dat appellant dit feit ook niet betwist. Omdat appellant onduidelijkheid heeft laten bestaan over waar dit bedrag is gebleven, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij dit bedrag ten tijde van de indiening van de aanvraag niet meer in zijn bezit had. Daardoor heeft hij niet voldaan aan de op grond van artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting, waardoor het college niet in staat was het recht op bijstand vast te stellen.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de beantwoording van de vraag of het college terecht heeft geweigerd naar aanleiding van de op 29 maart 2011 ingediende aanvraag bijstand te verlenen vanaf 1 januari 2011. In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode tot en met de datum van het besluit op aanvraag, zodat ter beoordeling voorligt de periode van 1 januari 2011 tot en met 21 april 2011.

4.2.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0861, bestaat aanleiding onderscheid te maken in een drietal periodes vanwege het verschil in toetsingskader bij die te onderscheiden periodes.

Periode van 1 januari 2011 tot en met 28 januari 2011

4.3.

Het recht op bijstand over de periode van 1 januari 2011 tot en met 28 januari 2011 is al eerder beoordeeld. Wat betreft die periode is de vraag aan de orde of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht die betrekking hebben op die periode. Appellant heeft geen nieuw feit of veranderde omstandigheid ten aanzien van deze periode aangevoerd. Het college heeft dan ook terecht geweigerd appellant over de periode van 1 januari 2011 tot en met

28 januari 2011 bijstand te verlenen.

Periode van 29 januari 2011 tot en met 28 maart 2011

4.4.

Over de periode van 29 januari 2011 tot en met 28 maart 2011, die ligt voor de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen en waarover nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden, wordt in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

Appellant heeft zodanige omstandigheden niet aangevoerd. Het college heeft dan ook terecht geweigerd appellant over de periode van 29 januari 2011 tot en met 28 maart 2011 bijstand te verlenen.

Periode van 29 maart 2011 tot en met 21 april 2011

4.5.

Voor deze periode geldt dat moet worden beoordeeld of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en leefsituatie maar ook over zijn inkomenssituatie en vermogenspositie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6.

Appellant heeft niet betwist dat hij in de maanden september en oktober 2008 een bedrag van in totaal € 700.000,- van een derdengeldrekening van zijn deurwaarderskantoor deels in contanten heeft opgenomen en deels heeft overgemaakt naar een privérekening op zijn naam in België en daar heeft opgenomen. Appellant heeft ook in deze procedure betoogd dat hij dit bedrag niet meer onder zich heeft, omdat hij het op 3 oktober 2008 in België contant heeft betaald aan een derde, die hij verder niet kende en toevallig op de markt had ontmoet. De Raad acht het, evenals de rechtbank in de strafrechtelijke procedure, niet aannemelijk gemaakt dat appellant in zijn auto een dergelijk groot geldbedrag heeft overhandigd aan een persoon die hij niet kent, aan wie hij geen identificatie vraagt, van wie hij niet vaststelt of deze bevoegd is om de benadeelde partij te vertegenwoordigen en van wie hij ook niet terstond een kwitantie ontvangt. Dit klemt te meer omdat appellant als deurwaarder beroepshalve was gespecialiseerd in het incasseren van schulden, waaronder schulden tegen finale kwijting, zodat hij op de hoogte behoorde te zijn van de vereisten voor een finale kwijting. Dit betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat appellant ook na 3 oktober 2008 nog kon beschikken over de door hem opgenomen bedragen. Appellant heeft bij de indiening van de aanvraag van 29 maart 2011 in strijd met de op grond van artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geen objectieve en verifieerbare gegevens verstrekt waaruit blijkt of, hoe en wanneer dit zeer aanzienlijke bedrag is besteed en in hoeverre hij daarover op dat moment nog kon beschikken. Daarmee is onduidelijkheid blijven bestaan over zijn vermogenspositie. Het college heeft dan ook terecht geweigerd appellant met ingang van 29 maart 2011 bijstand te verlenen.

4.7.

Het betoog van appellant dat het college er door de curator toe is aangezet om van hem te verlangen inzicht te verschaffen in zijn vermogenspositie en dat sprake is van détournement de pouvoir, wordt gelet op 4.5 verworpen.

4.8.

Appellant heeft nog aangevoerd dat hij het college begin 2010 volledig op de hoogte heeft gebracht van zijn strafrechtelijke veroordeling en dat het college hem toen met dezelfde kennis wel bijstand heeft verstrekt. Voor zover appellant daarmee een beroep doet op het vertrouwensbeginsel wordt dit verworpen. Ter zitting heeft het college onbetwist naar voren gebracht dat het college begin 2010 alleen is geïnformeerd over de veroordeling en dat het college pas nadien de beschikking heeft gekregen over het vonnis van de rechtbank Maastricht van 16 december 2009. De schending van de inlichtingenverplichting door appellant staat bovendien in de weg aan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

4.9.

Dat het bedrag van € 700.000,-, indien appellant daarover zou beschikken, aan de boedel van het faillissement ten goede zou komen en dat deze boedel zodanig negatief is dat er niets voor appellant zou overblijven, leidt niet tot een ander oordeel. Wat ook verder zij van dit standpunt, hier is aan de orde of appellant feitelijk over het vermogen beschikte.

4.10.

Het betoog van appellant dat het college heeft gehandeld in strijd met de presumptie van onschuld, omdat dit beginsel ook in het bestuursrecht doorwerkt, wordt niet gevolgd. Bij de beoordeling van de aanvraag is aan de orde of appellant met inachtneming van de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting voldoende aannemelijk heeft gemaakt in bijstandbehoevende omstandigheden te verkeren en speelt schuld of onschuld geen rol.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en

Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) P.J.M. Crombach

HD