Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2014
Datum publicatie
25-02-2014
Zaaknummer
11-6357 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum van toegekend pgb. Geen tijdige vervolgaanvraag. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven kan de aanvrager echter gebruik maken van de mogelijkheden die de Algemene wet bestuursrecht daarvoor biedt in de artikelen 6:2 en 4:17. Vaststaat dat appellante van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt. Evenmin heeft appellante het college om een spoedbehandeling van haar aanvraag verzocht. Het enkele overschrijden van de beslistermijn leidt er niet toe dat het college de ingangsdatum van het pgb met terugwerkende kracht had moeten vaststellen op 21 januari 2010.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/76
JWWB 2014/80

Uitspraak

11/6357 WMO

Datum uitspraak: 21 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

12 oktober 2011, 10/3972 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het college nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2014. Appellante is vertegenwoordigd door haar echtgenoot [naam echtgenoot appellante], bijgestaan door mr. Timmer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.L. Swart.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante had tot en met 7 januari 2009 in verband met haar beperkingen recht op
3,0 uur per week huishoudelijke verzorging op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.2.

Appellante heeft op 8 oktober 2009 (bij het college binnengekomen op 16 oktober 2009) een aanvraag ingediend om in het kader van de Wmo in aanmerking te komen voor hulp bij het huishouden. Bij besluit van 18 februari 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 3 mei 2010 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Appellante heeft op 29 april 2010 opnieuw een aanvraag ingediend voor huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo. Bij besluit van 14 juni 2010 heeft het college appellante in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden, categorie 1, voor 3 uur per week voor de periode van 21 juni 2010 tot en met 19 december 2010, in de vorm van zorg in natura.

1.4.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 mei 2010. Hangende het beroep heeft het college het besluit van 3 mei 2010 ingetrokken. Bij besluit van 24 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2010 gegrond verklaard en aan appellante over de periode van 18 februari 2010 tot en met
20 juni 2010 huishoudelijke hulp, categorie 1, voor 3 uur per week toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 mei 2010 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 24 januari 2011 ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Evenals het beroep is het hoger beroep van appellante uitsluitend gericht tegen de ingangsdatum van het toegekende pgb. Appellante heeft aangevoerd dat het college die ingangsdatum ten onrechte heeft vastgesteld op 18 februari 2010. Appellante heeft onder verwijzing naar in beroep overgelegde stukken betoogd dat deze de noodzaak aantonen om de huishoudelijke hulp aansluitend op het einde van de vorige indicatie toe te kennen, dus met ingang van
8 januari 2009. Subsidiair heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat het college de ingangsdatum van de toekenning van het pgb had moeten vaststellen op 21 januari 2010, de datum waarop het college gelet op de wettelijke beslistermijn uiterlijk op de aanvraag had dienen te beslissen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college beoordeelt een aanvraag voor hulp bij het huishouden aan de hand van de Verordening individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente
Den Haag 2009 (Verordening), de ter uitvoering van de Verordening vastgestelde Regeling individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2009 (Regeling) en de Beleidsregels hulp bij het huishouden gemeente Den Haag 2009 (Beleidsregels). Artikel 5, aanhef en onder a, van de Regeling bepaalt, voor zover thans van belang, dat huishoudelijke hulp in de vorm van een pgb wordt verleend voor een periode die niet eerder aanvangt dan de dag, met ingang waarvan de aanvrager volgens de beschikking op de voorziening is aangewezen.

4.2.

Het college hanteert als algemeen uitgangspunt dat de datum van het toekenningsbesluit bepalend is voor de ingangsdatum van de voorziening. Appellante bestrijdt niet dit uitgangspunt maar is van mening dat in haar situatie sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat van dat uitgangspunt wordt afgeweken. Het college neemt met toepassing van artikel 7, vierde lid, van de Beleidsregels een uitzondering op het door haar gehanteerde uitgangspunt aan, indien sprake is van een - tijdig - ingediende vervolgaanvraag. In dat geval sluit de nieuwe toekenning direct aan op de oude toekenning.

4.3.

De door appellante in oktober 2009 ingediende aanvraag is een nieuwe aanvraag voor huishoudelijke hulp en niet te beschouwen is als een vervolgaanvraag.

4.4.

Appellante meent primair dat het college het in oktober 2009 aangevraagde pgb had moeten vaststellen met ingang van 8 januari 2009, omdat sprake is van ongewijzigde dan wel toegenomen klachten en zij met ingang van 8 januari 2009, evenals in de periode daarvoor eindigend op 7 januari 2009, “op de voorziening is aangewezen” als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder a, van de Regeling. Zoals appellante heeft bevestigd ter zitting, kan deze uitleg van artikel 5, aanhef en onder a, van de Regeling ertoe leiden dat een aanvraag ongelimiteerde terugwerkende kracht krijgt. Het college heeft terecht erop gewezen dat in artikel 5, aanhef en onder a, van de Regeling enkel is bepaald dat de beschikking leidend is voor de dag met ingang waarvan de aanvrager op de voorziening is aangewezen. Dit betekent dat, anders dan appellante meent, de door het college gehanteerde vaste gedragslijn om de datum van het indicatiebesluit bepalend te laten zijn voor de ingangsdatum van de voorziening niet in strijd is met artikel 5 van de Regeling.

4.5.

De enkele omstandigheid dat geen verandering is opgetreden in de beperkingen van appellante is, anders dan appellante heeft aangevoerd, onvoldoende om bij een nieuwe aanvraag toch terugwerkende kracht te verlenen tot de datum van het verlopen van de oude toekenning.

4.6.

Indien appellante beoogde dat de indicatie zou aansluiten op de met ingang van 8 januari 2009 beëindigde indicatie had zij tijdig een vervolgaanvraag moeten indienen. Hoewel de Beleidsregels niet definiëren wanneer sprake is van een tijdige vervolgaanvraag, heeft appellante haar aanvraag ingediend tien maanden na het aflopen van de vorige indicatie en dat is in elk geval niet als tijdig te beschouwen.

4.7.

Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 betekent dat het college de ingangsdatum van het pgb terecht niet heeft vastgesteld op 8 januari 2009.

4.8.

Evenmin bestaat aanleiding appellante te volgen in haar standpunt dat de ingangsdatum van het pgb moet worden vastgesteld op 21 januari 2010. Volgens appellante is dit de uiterste datum waarop het college op haar aanvraag had dienen te beslissen. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven kan de aanvrager echter gebruik maken van de mogelijkheden die de Algemene wet bestuursrecht daarvoor biedt in de artikelen 6:2 en 4:17. Vaststaat dat appellante van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt. Evenmin heeft appellante het college om een spoedbehandeling van haar aanvraag verzocht. Het enkele overschrijden van de beslistermijn leidt er niet toe dat het college de ingangsdatum van het pgb met terugwerkende kracht had moeten vaststellen op 21 januari 2010.

4.9.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin een grond voor het oordeel dat het college met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 56 van de Verordening de gevraagde voorziening eerder dan 18 februari 2010 had moeten toekennen.

4.10.

Wat hiervoor is overwogen houdt in dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom, voor zover aangevochten, bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.P. Ketting

CVG