Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:552

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
12-4291 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant wel aannemelijk heeft gemaakt dat een dienstbelang aanwezig was om het functioneel applicatiebeheer niet langer aan betrokkene op te dragen en haar volledig met archiefwerkzaamheden te belasten. Er is voorts geen grond voor het oordeel dat appellant de opgedragen archiefwerkzaamheden aan betrokkene niet redelijkerwijs in verband met haar persoonlijkheid, haar omstandigheden en de voor haar bestaande vooruitzichten heeft kunnen opdragen. Hierbij is van belang dat betrokkene ook al vóór het besluit van 21 oktober 2010 met archiefwerkzaamheden was belast. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/106
TAR 2014/99

Uitspraak

12/4291 AW

Datum uitspraak: 20 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

27 juni 2012, 12/1876 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.R.M. Berends-Schellens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C. van Vlooten een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Berends-Schellens, F.P.A.J. Bakker en A.M. Weijers. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vlooten.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is per 1 maart 2007 in tijdelijke dienst aangesteld in de functie van medewerker informatiebeheer. Op 14 juni 2007 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgehad over het functioneren van betrokkene in de periode van maart 2007 tot en met mei 2007. Uit het verslag van dat gesprek blijkt dat betrokkene goed functioneert. Vanaf oktober 2007 was betrokkene [naam functie] van de werkgroep Decos. Deze werkgroep diende te zorgen voor invoering van het documentair managementsysteem. Betrokkene was belast met 50%

Decos-werkzaamheden en 50% archiefwerkzaamheden. Op 26 oktober 2007 heeft weer een beoordelingsgesprek plaatsgehad, ditmaal over de periode van juni 2007 tot en met oktober 2007. De uitkomst van dat gesprek is dat betrokkene voldoende functioneert.

1.2. Uit een notitie van de stuurgroep e-dienstverlening van 10 juli 2007 blijkt dat er verschillende problemen zijn in het project e-dienstverlening, zo ook in de werkgroep Decos. De werkgroep maakt te weinig vooruitgang en er wordt onvoldoende daadkracht en interesse getoond. Besloten wordt om een andere [naam functie] te benoemen. Vanaf december 2007 heeft het project een herstart gehad.

1.3. Op 5 december 2007 is betrokkene uitgevallen wegens een knieoperatie. Eind december 2007 is met betrokkene gesproken over haar rol in de werkgroep Decos. Bij besluit van

16 januari 2008 is haar tijdelijke dienstverband omgezet in een vast dienstverband. Betrokkene heeft vanaf 12 februari 2008 haar werkzaamheden gedeeltelijk en vanaf 9 oktober 2008 volledig hervat. In juni 2008 heeft betrokkene een nieuwe leidinggevende B gekregen.

De herstart van het project is niet goed van de grond gekomen. Om het project vlot te trekken is besloten om een externe [naam functie] aan te trekken. In verband daarmee bestonden de werkzaamheden van betrokkene vanaf 1 januari 2009 voor 100% uit archiveringswerkzaamheden. De tijdelijk in te huren externe kon zich bezig gaan houden met de herimplementatie van Decos.

1.4. Op 13 maart 2009 heeft betrokkene zich ziek gemeld. Op 7 april 2009 zijn de plannen aangaande het project met betrokkene besproken en is haar een outplacementtraject aangeboden. Naar aanleiding van een schriftelijke reactie van betrokkene is zij per 3 juni 2009 weer voor 50% belast met Decos-werkzaamheden en voor 50% met archiefwerkzaamheden. Met betrokkene is afgesproken dat via voortgangsgesprekken zal worden gemonitord en dat functioneringsgesprekken zullen worden gehouden.

In het gesprek van 3 juni 2009 heeft B aan betrokkene te kennen gegeven dat de archiefwerkzaamheden prioriteit hebben. De werkzaamheden in het kader van Decos komen later aan bod. Daarover wordt zij geïnformeerd als er meer duidelijkheid bestaat over de (her)implementatie van Decos.

1.6. In januari 2010 zijn drie gesprekken gevoerd met betrokkene. Daaruit is gebleken dat B niet tevreden is met haar functioneren. Op 4 maart 2010 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgehad over de periode van 1 juni 2008 tot 1 februari 2010. Daarin is naar voren gekomen dat betrokkene haar functie niet naar behoren vervult. De kritiek richt zich met name op de Decos-werkzaamheden. Als functioneel applicatiebeheerder is zij te passief en te reactief en de door haar gekozen oplossingsrichting is vaak niet de goede. Zaken moeten vaak opnieuw op papier worden gezet en gestelde deadlines worden vaak niet gehaald. Ook op de punten bestuurlijk inlevingsvermogen en overtuigingskracht scoort betrokkene onvoldoende. Omdat zij een cruciale functie bekleedt binnen het project Decos zal in gesprek worden gegaan over een afscheid en zal een outplacementtraject worden voorgesteld. Betrokkene heeft het verslag van het beoordelingsgesprek niet getekend en de beoordeling is niet formeel vastgesteld. Op 8 maart 2010 heeft betrokkene zich ziek gemeld.

1.7. Na een voornemen daartoe heeft het college betrokkene bij besluit van 21 oktober 2010 op grond van artikel 15:1:10, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) volledig belast met archiefwerkzaamheden.

1.8. Bij besluit van 23 januari 2012 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat naast dat duidelijk is gedocumenteerd dat sprake is van ernstige tekortkomingen in het functioneren van betrokkene, er voldoende aanknopingspunten zijn dat het functioneel applicatiebeheer Decos uit een oogpunt van dienstbelang niet langer aan betrokkene kon worden opgedragen.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van

21 oktober 2010 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van dat besluit. Daartoe is overwogen dat nu de functie van betrokkene verschillende categorieën van elkaar te onderscheiden werkzaamheden omvat, het appellant vrij stond betrokkene van een deel te ontheffen en haar in plaats daarvan andere werkzaamheden op te dragen. Voorwaarde daarvoor was dat sprake was van een dienstbelang. Dat zou gelegen zijn in het feit dat betrokkene tekort is geschoten in haar werkzaamheden ter zake van de implementatie van Decos en het vertrouwen in haar kennis en kunde met betrekking tot het functioneel applicatiebeheer is komen te ontvallen. De rechtbank heeft gemotiveerd geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat het niet slagen van het project betrokkene is aan te rekenen, noch dat zij ernstig is tekort geschoten in haar taken. Evenmin is komen vast te staan dat zij hier op is aangesproken en dat zij voldoende de gelegenheid heeft gehad zich te verbeteren. Als er al afspraken zijn gemaakt over de Decos-werkzaamheden, dan zijn er niet geregeld voortgangsgesprekken of functioneringsgesprekken gehouden. Pas in januari 2010 hebben drie gesprekken plaatsgehad waarin het functioneren van betrokken aan de orde is gesteld. Op basis daarvan kan niet worden geoordeeld dat betrokkene voorafgaand aan de beoordeling in voldoende mate en tijdig op haar tekortkomingen is gewezen en voldoende gelegenheid heeft gehad zich te verbeteren. Dat zij is aangesproken op de kwaliteit van haar notities is onvoldoende, omdat daaruit niet blijkt welke kritiek en welke aanwijzingen ter verbetering zijn gegeven. Van maart tot augustus 2010 was zij bovendien wegens ziekte afwezig en kan haar niet worden tegengeworpen dat het project geen voortgang had.

3.

Appellant betoogt dat de rechtbank een onjuiste toets heeft aangelegd nu het criterium dat is gehanteerd, wordt toegepast bij een ongeschiktheidsontslag. De toets dient te zijn of het belang van de dienst de maatregel in voldoende mate rechtvaardigt. Door alleen het functioneren van betrokkene als dienstbelang aan te merken, is die toets te beperkt opgevat. Dit terwijl in het voornemen en het besluit van 21 oktober 2010 het dienstbelang, het realiseren van een goed functionerend Decos-systeem, expliciet naar voren is gebracht. De functie van betrokkene was daarin cruciaal; zij was de enige functionaris in de gemeente belast met de implementatie van Decos. Om die reden heeft appellant de ontheffing van betrokkene geoorloofd geacht. Dat het onvoldoende functioneren niet is aangetoond en betrokkene geen verbeterkans is geboden, betreffen criteria voor een ongeschiktheidsontslag. Bovendien is betrokkene wel voldoende aangesproken en heeft zij de kans gekregen zich te verbeteren. Het functioneren van betrokkene stond gedurende langere tijd ter discussie, zij was hiermee bekend en getracht is er verbetering in te brengen. Nu dat niet lukte en tegelijkertijd de noodzaak zich aandiende om de problemen rond Decos definitief op te lossen, heeft het college het besluit kunnen nemen betrokkene te ontheffen en haar volledig te belasten met archiefwerkzaamheden. Voorts is de rechtbank met de constatering in rechtsoverweging 5.5, dat er onduidelijkheid was over de rol van betrokkene in het Decos-project, buiten de grenzen van het geding getreden. Betrokkene heeft dit niet aangevoerd. Bovendien mist deze constatering feitelijke grondslag. Ten slotte heeft de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak voorzien op de grond dat er geen gespreksverslagen zijn over 2009. De rechtbank miskent daarmee dat er mogelijk andere documenten waren waaruit blijkt dat er wel degelijk werkafspraken waren.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1. Appellant wordt niet gevolgd in het standpunt dat de rechtbank met de constatering in rechtsoverweging 5.5 van de aangevallen uitspraak, dat er onduidelijkheid was over de rol van betrokkene in het Decos-project, buiten de grenzen van het geding is getreden. De Raad leest in deze overweging slechts een onderbouwing van het oordeel dat geen sprake is van de in het bestreden besluit vastgestelde en door betrokkene aangevochten ernstige tekortkomingen in het functioneren van betrokkene.

4.2.

Ingevolge artikel 15:1:10, eerste lid, van de CAR/UWO is de ambtenaar verplicht - nadat hij is gehoord - een andere betrekking te aanvaarden voor de vervulling waarvan hij in

het belang van de dienst is aangewezen, indien deze betrekking hem redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten

kan worden opgedragen.

4.3.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant wel aannemelijk heeft gemaakt dat een dienstbelang aanwezig was om het functioneel applicatiebeheer niet langer aan betrokkene op te dragen en haar volledig met archiefwerkzaamheden te belasten. Weliswaar heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat op grond van de stukken onvoldoende is komen vast te staan dat het niet slagen van het Decos-project is toe te rekenen aan betrokkene en dat betrokkene ernstig is tekortgeschoten in haar taken, maar dit laat onverlet dat een dienstbelang aanwezig was om betrokkene andere werkzaamheden op te dragen. Zoals ook uit het besluit van 21 oktober 2010 alsmede het bestreden besluit volgt was het goed functioneren van Decos voor de gehele gemeentelijke organisatie van groot belang en verliep de implementatie van dit systeem problematisch. Betrokkene had in dat project een cruciale rol en was als belangrijkste Decos-functionaris verantwoordelijk voor de implementatie van Decos. De politieke druk om het project te laten slagen was groot. Dit alles vormde voldoende grond voor appellant om in te grijpen en met een ander dan betrokkene te proberen het project alsnog te laten slagen.

4.4.

Er is voorts geen grond voor het oordeel dat appellant de opgedragen archiefwerkzaamheden aan betrokkene niet redelijkerwijs in verband met haar persoonlijkheid, haar omstandigheden en de voor haar bestaande vooruitzichten heeft kunnen opdragen. Hierbij is van belang dat betrokkene ook al vóór het besluit van 21 oktober 2010 met archiefwerkzaamheden was belast.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene alsnog ongegrond verklaren.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.J. Kraan en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) T.A. Meijering

HD