Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:551

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
13-966 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan betrokkene ziet de Raad niet dat een vruchtbare samenwerking nog mogelijk is. Dit betekent dat het college bevoegd was om betrokkene op de gebruikte grond ontslag te verlenen. De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het college een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Het aandeel van het college wordt geschat op meer dan 80%. De ontslagvergoeding wordt berekend door het aantal dienstjaren te delen door 2, te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris ten tijde van het ontslag, inclusief de vakantietoeslag, en daarop de factor 1 toe te passen. Dit leidt, gelet op het korte dienstverband van betrokkene, tot een totaalbedrag dat lager is dan door de rechtbank is toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/108
TAR 2014/129
Module Ambtenarenrecht 2016/1671

Uitspraak

13/966 AW, 13/996 AW

Datum uitspraak: 20 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

9 januari 2013, 12/8827 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. C. van Vlooten hoger beroep ingesteld. Namens het college heeft mr. P.R.M. Berends-Schellens hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2014. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vlooten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Berends-Schellens, F.P.A.J. Bakker en A.M. Weijers.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor de feiten en omstandigheden van deze zaak verwijst de Raad allereerst naar de uitspraak van heden met het registratienummer 12/4291 AW. De Raad voegt daar het volgende aan toe.

1.2. Na een voornemen daartoe, waarover betrokkene haar zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft het college bij besluit van 1 maart 2012 aan betrokkene met ingang van

7 maart 2012 eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:8, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Daaraan is ten grondslag gelegd dat al geruime tijd sprake is van een problematische situatie ten aanzien van de arbeidsverhouding met betrokkene. Dat heeft bij betrokkene geleid tot het wegvallen van het vertrouwen in haar leidinggevende B. Betrokkene heeft zelf geen concrete acties verricht om dat vertrouwen te herstellen. Om tot een oplossing te komen is getracht om haar te ondersteunen bij het vinden van een andere baan. Dit aanbod heeft zij steeds afgewezen. Daarna is ook bij B het vertrouwen in betrokkene weggevallen. Na het mislukken van mediation zag het college geen andere weg voor het oplossen van de situatie dan de aanstelling van betrokkene te beëindigen. Aan het ontslag heeft het college de garantie-uitkering verbonden. Daarnaast is een outplacementtraject aangeboden voor een bedrag van maximaal € 7.500,- inclusief BTW.

1.3. Bij het besluit van 16 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover het ziet op de bij het ontslag getroffen regeling. Het bestreden besluit is in zoverre vernietigd. In aanvulling op de getroffen regeling heeft de rechtbank een bedrag van € 50.000,- toegekend. Voor het overige is het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat uit de stukken het beeld naar voren komt dat het ontbreken van het vertrouwen grotendeels is gebaseerd op het onvoldoende functioneren van betrokkene doordat de implementatie van Decos, waar zij verantwoordelijk voor was, niet goed is verlopen. Zij is daarom uit een deel van de werkzaamheden ontheven en met archiefwerkzaamheden belast. Betrokkene heeft zich in dit slepende proces veelvuldig ziek gemeld, hetgeen volgens de bedrijfsarts werkgerelateerd was. Nadat B heeft geconstateerd dat sprake was van een vertrouwensbreuk zijn meerdere gesprekken gevoerd. Deze hebben niet tot een oplossing geleid. Ook mediation heeft partijen niet tot elkaar gebracht. Er is dan ook geen uitzicht meer op een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. Daarmee is de bevoegdheid om betrokkene ontslag te verlenen gegeven. Voorts heeft het college een overwegend aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot ontslag heeft geleid. De kritiek op het functioneren van betrokkene berustte op onvoldoende onderbouwing. Met de uitspraak van 27 juni 2012 is voldoende komen vast te staan dat betrokkene ten onrechte uit haar Decos-werkzaamheden is ontheven. De opstelling van B heeft het ontstaan van de vertrouwensbreuk alleen maar bevorderd. Niet gebleken is wat het doel van de gesprekken was noch dat getracht is het vertrouwen te herstellen. B heeft juist aangestuurd op het vertrek van betrokkene. De door betrokkene gekozen opstelling maakt niet dat het overwegend aandeel niet meer bij het college zou liggen. Betrokkene kan niet worden verweten dat zij haar vaste dienstverband zou opzeggen om een tijdelijke dienstbetrekking bij [naam ondereeel] aan te gaan. Het college kon dan ook niet volstaan met de minimale regeling.

3.1.

Betrokkene betwist in hoger beroep dat geen uitzicht meer bestaat op een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. Betrokkene heeft nooit te kennen gegeven dat zij geen vertrouwen meer had in haar leidinggevende. De leidinggevende uitte wel openlijk zijn antipathie tegen haar. Dat heeft zij gemeld bij de gemeentesecretaris. Het college heeft daar echter nooit iets mee gedaan. De inspanning van het college was slechts gericht op het vertrek van betrokkene en niet op het verbeteren van de vertrouwensrelatie. Ook de mediation was slechts gericht op haar vertrek. Betrokkene wenst het dienstverband met het college voort te zetten. Indien het ontslag toch stand mocht houden, is zij van mening dat het door de rechtbank toegekende bedrag geen recht doet aan de situatie. Zij acht een vergoeding van

€ 375.000,-, in aanvulling op het reeds toegekende bedrag, reëel.

3.2.

Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte de vertrouwensbreuk heeft gebaseerd op het slechte functioneren van betrokkene en daarmee voorbij is gegaan aan hetgeen na oktober 2010 is voorgevallen. Aan het ontslag is immers ten grondslag gelegd het verlies van vertrouwen van betrokkene en de wijze waarop betrokkene heeft gereageerd op de pogingen van B om in gesprekken het vertrouwen te herstellen. De benadering van betrokkene bestond er alleen maar uit dat zij alles bij het oude wilde laten zonder dat zij in de gesprekken bijdroeg aan een oplossing. Daarbij komt dat het college niet van betrokkene heeft verlangd dat zij zelf ontslag zou nemen. Bekend was dat archiefwerkzaamheden niet haar ambitie waren. Het werd dan ook niet ongepast geacht om andere mogelijkheden te benoemen. Er zijn vele gesprekken met betrokkene gevoerd, maar het gebrek aan resultaat werd onbevredigend geacht. Het college is van mening dat dit onvoldoende is voor het oordeel dat het overwegend aandeel bij het college lag. Subsidiair stelt het college dat de toegekende vergoeding te hoog is. Het aandeel van het college is wellicht groter dan 51% maar kleiner dan 65%. Ten slotte heeft toepassing van de CRvB-formule een vergoeding van een geringere omvang tot gevolg.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de vaststelling of het college bevoegd was om tot ontslagverlening over te gaan is de situatie ten tijde van de ontslagverlening doorslaggevend. Dat betekent dat acht moet worden geslagen op alle feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór 1 maart 2012 en dat de situatie op die datum bepalend is. Het college wordt dan ook gevolgd in het standpunt dat ook hetgeen na oktober 2010 is voorgevallen dient te worden betrokken bij de beoordeling of sprake was van een impasse.

4.2.

Ten tijde van de ontslagverlening was ook naar het oordeel van de Raad sprake van een impasse waarbij geen uitzicht meer bestond op een vruchtbare samenwerking. Naar aanleiding van het niet goed lopen van het project Decos, waarvoor betrokkene verantwoordelijk was, en de beslissing betrokkene niet langer te belasten met de Decos-werkzaamheden is de werkrelatie tussen betrokkene en B verstoord geraakt en verslechterd. Pogingen om die werkrelatie te verbeteren zijn alle mislukt. Anders dan betrokkene ziet de Raad niet dat een vruchtbare samenwerking nog mogelijk is. Dit betekent dat het college bevoegd was om betrokkene op de gebruikte grond ontslag te verlenen. Het hoger beroep van betrokkene, voor zover het ziet op de ontstane impasse, slaagt niet.

4.3.

Het college heeft aan het ontslag de garantie-uitkering verbonden en daarnaast een bedrag van € 7.500,- voor outplacement toegekend. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college daarmee niet heeft kunnen volstaan nu het college een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse en heeft betrokkene in aanvulling daarop een ontslagvergoeding van € 50.000,- toegekend.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een minimumgarantie onvoldoende als komt vast te staan dat het bestuursorgaan in de impasse een overwegend aandeel heeft gehad, of als een uitkering op minimumniveau gezien de omstandigheden van het geval niet redelijk kan worden geacht (9 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8173). Het gaat daarbij niet om volledige schadevergoeding, maar om compensatie van het aandeel van het bestuursorgaan. Daarbij is ook het aandeel van de ambtenaar van betekenis. Als sprake is van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan (de drempel) is vervolgens voor de berekening van de hoogte van de vergoeding de mate van het overwegend aandeel van het bestuursorgaan van belang. Voor die berekening zijn bij uitspraak van 28 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2044) de uitgangspunten vastgesteld, waarnaar hierbij wordt verwezen.

4.5.

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het college een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. De wijze waarop B is opgetreden naar aanleiding van het project Decos heeft de basis gelegd voor de verstoring in de werkrelatie tussen betrokkene en B. Teneinde die werkrelatie te verbeteren hebben gesprekken plaatsgehad. Uit de verslagen van die gesprekken blijkt dat deze, vanuit het college, slechts gericht waren op het vertrek van betrokkene bij de gemeente. Voor zover inspanningen werden betracht om tot een verbetering van de relatie te komen, dienden die met name van betrokkene te komen. Niet is gebleken wat B zelf heeft ondernomen om tot een herstel van de werkrelatie te komen. Ook de ingezette mediation was slechts gericht op het vertrek van betrokkene. Deze opstelling heeft aan een daadwerkelijk herstel in de werkrelatie in de weg gestaan en geleid tot de uiteindelijke impasse.

4.6.

Over het aandeel van betrokkene wordt het volgende opgemerkt. Dat betrokkene, zoals het college heeft gesteld, niet mee wilde werken aan een oplossing blijkt niet uit de gespreksverslagen. Dat zij vervolgens niet heeft mee willen gaan in een overstap naar [naam ondereeel], hetgeen betekende dat zij haar vaste dienstverband diende in te ruilen tegen een onzeker tijdelijk dienstverband, kan haar niet worden tegengeworpen. Gelet op de ontstane situatie kon dit niet van betrokkene worden gevergd.

4.7.

Gelet op hetgeen onder 4.5 en 4.6 is overwogen wordt het aandeel van het college geschat op meer dan 80%. De ontslagvergoeding wordt berekend door het aantal dienstjaren te delen door 2, te vermenigvuldigen met het bruto maandsalaris ten tijde van het ontslag, inclusief de vakantietoeslag, en daarop de factor 1 toe te passen. Dit leidt, gelet op het korte dienstverband van betrokkene, tot een totaalbedrag dat lager is dan door de rechtbank is toegekend.

4.8.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep van betrokkene tegen de toegekende vergoeding niet slaagt. Het hoger beroep van het college slaagt wel, omdat de rechtbank zelf voorziend een te hoog bedrag heeft toegekend. De aangevallen uitspraak wordt dan ook vernietigd voor zover die ziet op de aan betrokkene geboden uitkeringsregeling. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en aan appellant een vergoeding toe te kennen die is berekend conform het bepaalde onder 4.7 van deze uitspraak. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover die betrekking heeft op de geboden

ontslagvergoeding;

- bepaalt dat aan betrokkene in aanvulling op de geboden minimumgarantie een vergoeding

wordt betaald, berekend zoals weergegeven in overweging 4.7, en bepaalt dat deze uitspraak

in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 16 augustus 2012;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.J. Kraan en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2014.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) T.A. Meijering

HD