Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
11-7319 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor sociale begeleiding. Uit het nieuwe besluit komt naar voren dat de kosten van de door appellant ingeschakelde begeleider slechts een fractie bedragen van het bedrag dat hij ontvangt aan tegemoetkoming voor DMV. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat de tegemoetkoming voor DMV mede is bestemd voor het onderhouden van sociale contacten, recreatie en ontspanning, en dat het aan de betrokkene zelf is om te bepalen waar hij bij de besteding van de tegemoetkoming zijn prioriteiten legt. Gezelschap, aanspraak en begeleiding bij het wandelen zijn bij uitstek te rekenen tot de gebruikelijke sociale contacten, die naar hun aard door DMV worden gedekt. Weliswaar is in dit geval de begeleiding kennelijk medisch-sociaal wenselijk geacht, maar er is niet gebleken dat sprake is van kosten die uitgaan boven hetgeen voor een ieder algemeen gebruikelijk is. Met het nieuwe besluit is dus voldoende gemotiveerd dat niet aan de in de tussenuitspraak omschreven criteria voor afzonderlijke vergoeding wordt voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7319 WUV, 13/1361 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats], Israël (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de  voormalige  Raadskamer WUV van de PUR.

Bij tussenuitspraak van 24 januari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BY9385) heeft de Raad verweerder opgedragen de gebreken in de beslissing op bezwaar van 9 september 2011 (bestreden besluit) te herstellen.

Ter uitvoering van deze opdracht heeft verweerder op 7 maart 2013 een nieuw besluit genomen.

Appellant heeft hierop gereageerd en nog een nader stuk ingezonden.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2014. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een uiteenzetting van de feiten en het geschil verwijst de Raad naar de tussenuitspraak van 24 januari 2013 (tussenuitspraak). Kort samengevat, gaat het om het volgende.

1.1.

Appellant is erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Aanvaard is dat zijn psychische klachten, epilepsie en parodontaal lijden in causaal verband staan met de vervolging. Hij woont thans in het bejaardenhuis[naam bejaardenhuis], waarvan de verzorgingskosten door een voorziening op grond van de Wuv worden gedekt.

1.2.

Appellant heeft een aanvraag ingediend om vergoeding van de kosten van sociale begeleiding gedurende drie maal één uur per week. Verweerder heeft hem een tegemoetkoming toegekend in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV), maar de aanvraag voor sociale begeleiding afgewezen.

1.3.

In de tussenuitspraak is overwogen  kort samengevat  dat het hier gaat om de kosten van begeleiding in de sociale sfeer, in het bijzonder bij het maken van wandelingen buitenshuis. Appellant voelt zich eenzaam, durft vanwege zijn epilepsie niet meer alleen naar buiten en heeft behoefte aan gezelschap. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat reeds in sociale begeleiding wordt voorzien door vrijwilligers van[naam bejaardenhuis]. Bovendien kan appellant gebruik maken van de hem reeds toegekende vergoedingen voor medisch vervoer, sociaal vervoer en DMV. De Raad was van oordeel dat, naar vaste rechtspraak, niet valt in te zien dat een aanvraag zoals hier aan de orde niet  afzonderlijk  zou kunnen worden gehonoreerd, indien na geneeskundig onderzoek komt vast te staan dat er voor de voorziening een medisch-sociale wenselijkheid bestaat op grond van causale ziekten of gebreken en er sprake is van extra kosten die uitgaan boven hetgeen voor een ieder als algemeen gebruikelijk is te achten. Mede gelet op de adviezen van verweerders geneeskundig adviseurs, kon niet worden uitgesloten dat die situatie zich hier voordoet. Verder waren er aanwijzingen dat de sociale begeleiding die appellant nodig heeft niet is begrepen in de verzorging die het[naam bejaardenhuis] pleegt te bieden en dat daarvoor ook niet op vrijwilligers kan worden gerekend. Ten slotte was sprake van een ander geval waarin verweerder een aparte voorziening heeft verstrekt ter bekostiging van extra inspanningen vanuit[naam bejaardenhuis], in aanvulling op de reguliere kosten van verzorging in dat tehuis. Om deze redenen achtte de Raad het bestreden besluit genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.

Bij het nieuwe besluit van 7 maart 2013 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit wordt met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 (oud) van de Awb bij het geding in beroep betrokken.

2.1.

In het nieuwe besluit heeft verweerder uiteengezet dat het in het door appellant bedoelde andere geval gaat om extra verzorging, die door personeel van[naam bejaardenhuis] wordt geboden. Dit is een andere situatie dan die van appellant, wiens begeleider niet bij[naam bejaardenhuis] in dienst is. Indien appellant van[naam bejaardenhuis] een dienst zou ontvangen die bovenop de normale verpleegprijs in rekening wordt gebracht, vergt vergoeding daarvan een afzonderlijke beoordeling. Die is in dit geschil echter niet aan de orde.

2.2.

De Raad kan verweerder in de onder 2.1 weergegeven redenering volgen. Van vergelijkbare gevallen kan niet worden gesproken. De aanvraag van appellant heeft uitsluitend betrekking op begeleiding door een niet-personeelslid. Indien hij extra begeleiding zou krijgen van[naam bejaardenhuis] zelf, tegen extra betaling, staat het ook hem vrij een aanvraag om vergoeding daarvan bij verweerder in te dienen. Zo'n vergoeding valt echter buiten de omvang van het huidige geding.

2.3.

Naar de Raad begrijpt, wordt in het nieuwe besluit niet langer ontkend dat[naam bejaardenhuis] geen vrijwilligers beschikbaar heeft aan wie de door appellant gewenste begeleiding kan en mag worden toevertrouwd. Die afwijzingsgrond komt dus te vervallen.

2.4.

In het nieuwe besluit heeft verweerder in hoofdzaak overwogen dat de kosten van de door appellant gevraagde voorziening, mede gelet op de daarmee gemoeide bedragen, ruimschoots worden gedekt door de reeds eerder aan appellant toegekende vergoedingen voor medisch vervoer per taxi, vervoer voor het onderhouden van sociale contacten, DMV en huishoudelijke hulp. De Raad kan verweerder hierin niet onverkort volgen, nu de aanvraag van appellant geen betrekking heeft op vervoer en evenmin op huishoudelijke hulp. Uit het nieuwe besluit komt echter ook naar voren dat de kosten van de door appellant ingeschakelde begeleider slechts een fractie bedragen van het bedrag dat hij ontvangt aan tegemoetkoming voor DMV. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat de tegemoetkoming voor DMV mede is bestemd voor het onderhouden van sociale contacten, recreatie en ontspanning, en dat het aan de betrokkene zelf is om te bepalen waar hij bij de besteding van de tegemoetkoming zijn prioriteiten legt. Gezelschap, aanspraak en begeleiding bij het wandelen zijn  bij uitstek  te rekenen tot de gebruikelijke sociale contacten, die naar hun aard door DMV worden gedekt. Weliswaar is in dit geval de begeleiding kennelijk medisch-sociaal wenselijk geacht, maar er is niet gebleken dat sprake is van kosten die uitgaan boven hetgeen voor een ieder algemeen gebruikelijk is. Met het nieuwe besluit is dus voldoende gemotiveerd dat niet aan de in de tussenuitspraak omschreven criteria voor afzonderlijke vergoeding wordt voldaan.

2.5.

Dit betekent dat het nieuwe besluit in rechte stand houdt. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het beroep tegen het nieuwe besluit zal ongegrond worden verklaard.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 september 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 maart 2013 ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD