Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:548

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
11-4073 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenningen op grond van de Wubo. De Raad acht het standpunt dat de internering in kamp Pekato een gering - voor de causaliteitsbeoordeling te verwaarlozen - aandeel heeft gehad in het ontstaan van de psychische klachten van appellant voldoende onderbouwd met het advies van de geneeskundig adviseur, die blijkens zijn rapport van 25 juni 2013 uitgebreid met appellant heeft gesproken. Bij het onderzoek door deze arts is gebleken dat de psychische klachten van appellant zijn gerelateerd aan zeer veel traumatische ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Er zijn geen medische gegevens voorhanden die aan dit standpunt doen twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4073 WUBO, 13/4842 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

In het geding tussen:

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 20 februari 2014

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 1282), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet in de plaats getreden van de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de

- voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 juni 2011, kenmerk BZ01275973 (bestreden besluit 1). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2013. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

Bij tussenuitspraak van 30 mei 2013 heeft de Raad verweerder opgedragen om binnen drie maanden het in die uitspraak gesignaleerde gebrek in bestreden besluit 1 te herstellen.

Naar aanleiding van deze tussenuitspraak heeft verweerder bij besluit van 19 juli 2013, kenmerk BZ01644542, opnieuw op het bezwaar van appellant beslist (bestreden besluit 2).

Tegen dit besluit heeft appellant beroepsgronden ingediend, waartegen verweerder zich heeft verweerd.

Op 9 januari 2014 heeft een nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is wegens ziekte niet verschenen, zoals tevoren door hem is gemeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1934 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië. Op 17 oktober 2001 heeft hij een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenningen op grond van de Wubo. Hierop heeft verweerder afwijzend beslist bij besluit van 24 april 2002, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 oktober 2002. Overwogen is dat niet is gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Appellant heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit.

1.2. Op 27 april 2003 heeft appellant verzocht het besluit van 24 april 2002 te herzien. Hierop heeft verweerder afwijzend beslist bij besluit van 1 september 2003, op de grond dat geen nieuwe relevante feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel ingesteld.

1.3. Bij brief van 7 juni 2010 heeft appellant opnieuw om herziening verzocht. Bij besluit van 29 november 2010 heeft verweerder hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij bestreden besluit 1.

1.4. Ter zitting van 18 april 2013 heeft verweerder verklaard dat kort geleden nadere gegevens naar voren zijn gekomen op grond waarvan aannemelijk is dat appellant inderdaad, zoals hij stelt, geïnterneerd is geweest in kamp Pekato. In verband hiermee heeft verweerder bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd.

1.5. In de tussenuitspraak van 30 mei 2013 heeft de Raad geoordeeld dat, daarvan uitgaande, moet worden vastgesteld dat dit besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet op een deugdelijke motivering berust en dat verweerder als gevolg daarvan ten onrechte niet is toegekomen aan een medische beoordeling. De Raad achtte het aangewezen dat verweerder een nader standpunt inneemt en dit neerlegt in een nieuw besluit. Verweerder heeft bestreden besluit 2 genomen om het gebrek in bestreden besluit 1 te herstellen.

2.

De Raad komt thans tot de volgende beoordeling.

2.1.

Nu verweerder bestreden besluit 1 niet langer handhaaft, komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van appellant tegen dit besluit wordt dus gegrond verklaard.

2.2.

Nu bestreden besluit 2 niet geheel aan de bezwaren van appellant tegemoetkomt, wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

2.3.

Bij bestreden besluit 2 is erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, namelijk internering in kamp Pekato. Op de aanvraag om toekenningen op grond van de Wubo is opnieuw afwijzend beslist, op de grond dat geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Dat besluit berust op een advies van de geneeskundig adviseur G.L.G. Kho, arts, van 25 juni 2013. Deze arts heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van psychisch en/of lichamelijk letsel ten gevolge van de internering in kamp Pekato. Wel achtte deze arts sprake van psychische klachten, bestaande uit kenmerken van een PTSS en depressieve stemming, maar hij was hierover van oordeel dat het verblijf in het kamp Pekato in het geheel van traumatische ervaringen van appellant een gering aandeel heeft gehad. Ten aanzien van de lichamelijke klachten van appellant, te weten status na beroertes en rugklachten, heeft deze arts geen verband met de internering in kamp Pekato aanwezig geacht. Voor de hoofdpijnklachten is evenmin verband met de internering aanwezig geacht, omdat deze met de psychische klachten samenhangen.

2.4.

Naar aanleiding van bestreden besluit 2 heeft appellant naar voren gebracht dat bij hem als gevolg van het verblijf in kamp Pekato en diverse andere gebeurtenissen tijdens en na de oorlog wel sprake is van psychische invaliditeit.

2.5.

Verweerder heeft aangevoerd dat alleen het verblijf in kamp Pekato is aanvaard als calamiteit in de zin van de Wubo, nu de overige door appellant genoemde gebeurtenissen niet zijn geverifieerd of hebben plaatsgevonden na de Soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. Op grond van het advies van de geneeskundig adviseur Kho moet worden geconcludeerd dat de internering in kamp Pekato een gering aandeel heeft in het geheel aan traumatische ervaringen en dat de psychische klachten van appellant niet in betekenende mate in verband staan met die internering.

2.6.

Er zijn met betrekking tot andere oorlogservaringen van appellant dan de internering in kamp Pekato ten opzichte van de eerdere afwijzende besluiten geen nieuwe feiten of omstandigheden bekend geworden. Dit betekent dat verweerder terecht is uitgegaan van alleen die internering bij de beoordeling van de aanspraken van appellant op grond van de Wubo.

2.7.

De Raad acht het standpunt dat de internering in kamp Pekato een gering - voor de causaliteitsbeoordeling te verwaarlozen - aandeel heeft gehad in het ontstaan van de psychische klachten van appellant voldoende onderbouwd met het advies van genoemde geneeskundig adviseur, die blijkens zijn rapport van 25 juni 2013 uitgebreid met appellant heeft gesproken. Bij het onderzoek door deze arts is gebleken dat de psychische klachten van appellant zijn gerelateerd aan zeer veel traumatische ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Genoemd is onder meer het vertrek van de vader van appellant als militair, het langs het huis lopen van Japanse militairen, de vlucht van moeder met zes kinderen en het zoeken van een schuilplaats, allerlei gewelddadigheden en allerlei andere slechte omstandigheden. Er zijn geen medische gegevens voorhanden die aan dit standpunt doen twijfelen.

3.Gezien het voorgaande wordt het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

4.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD