Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
12-3711 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft hij op 25 juni 2009 niet om ontslag gevraagd. Hij heeft toen weliswaar een formulier ‘Ontslag op verzoek’ ingediend, maar hij heeft daarbij als reden voor het ontslag opgegeven dat hij een functie heeft aanvaard binnen [naam PI]. Hieruit heeft de minister kunnen en mogen afleiden dat appellant niet wenste dat aan zijn aanstelling in algemene dienst van het rijk als bedoeld in artikel 5a van het ARAR een einde kwam, maar dat hij wenste te worden overgeplaatst van PI [naam PI] naar [naam PI]. Daarbij heeft de minister terecht mede in aanmerking genomen dat het beëindigen van de aanstelling van appellant in algemene dienst van het rijk voor hem zeer nadelige consequenties zou kunnen hebben en het daarom niet voor de hand lag het verzoek van 25 juni 2009 als een aanvraag om ontslag te interpreteren. Dat appellant wenste te worden overgeplaatst, kan ook worden afgeleid uit de checklist aan de hand waarvan het arbeidsvoorwaardengesprek van 24 juni 2009 is gevoerd. De minister heeft terecht naar aanleiding van het verzoek van appellant van 25 juni 2009 een besluit tot overplaatsing genomen. Heropening onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellant om vergoeding van schade met betrekking tot mogelijke

overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3711 AW en 12/3712 AW

Datum uitspraak: 20 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 juni 2012, 10/285 en 10/996 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2014. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door [Naam A.] en mr. J.H. Buijn.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is sinds 1 maart 2001 aangesteld in algemene dienst van het rijk als bedoeld in artikel 5a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Hij was werkzaam in de functie van [naam functie] bij de Penitiaire Inrichting (PI) [naam PI]. Vanaf eind 2007 is hij gedetacheerd bij [naam PI]. Op 24 juni 2009 heeft appellant een arbeidsvoorwaardengesprek gehad met [naam p&O adviseur], P&O adviseur [naam PI]. Bij besluit van 7 juli 2009 heeft de minister appellant met ingang van 1 juli 2009 benoemd in de [functie B.]/[naam functie].

1.2. Op 25 juni 2009 heeft appellant bij PI [naam PI] het formulier ‘Ontslag op verzoek’ ingediend en als reden van ontslag opgegeven dat hij een functie heeft aanvaard binnen [naam PI]. Bij besluit van 20 juli 2009 heeft de minister appellant overgeplaatst van PI [naam PI] naar [naam PI].

1.3. Bij besluit van 30 november 2009, voor zover hier van belang, heeft de minister de aanvraag van appellant om een stimuleringspremie als bedoeld in het tijdelijk Sociaal Flankerend Beleid 2008-2012 afgewezen. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat appellant niet op eigen verzoek ontslag heeft genomen, maar is overgeplaatst van PI [naam PI] naar [naam PI].

1.4. Bij besluit van 25 januari 2010 (bestreden besluit 1) en besluit van 1 juni 2010 (bestreden besluit 2) zijn de bezwaren tegen de besluiten van 20 juli 2009 respectievelijk 30 november 2009 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand blijven. Daartoe heeft zij overwogen dat de omstandigheid dat appellant in algemene dienst van het rijk is aangesteld meebrengt dat zijn overgang van PI [naam PI] naar [naam PI] geen ontslag, maar een overplaatsing is. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand zijn gelaten en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Appellant heeft aangevoerd dat hij op 25 juni 2009 om ontslag heeft gevraagd. De minister had hem op grond van artikel 94, eerste lid, van het ARAR ontslag moeten verlenen en positief op zijn aanvraag om een stimuleringspremie dienen te beslissen. Voorts heeft appellant verzocht om een veroordeling tot het vergoeden van materiële schade en de als gevolg van de lange procedure geleden immateriële schade. Met het verzoek om immateriële schade heeft appellant beoogd te verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft hij op 25 juni 2009 niet om ontslag gevraagd. Hij heeft toen weliswaar een formulier ‘Ontslag op verzoek’ ingediend, maar hij heeft daarbij als reden voor het ontslag opgegeven dat hij een functie heeft aanvaard binnen [naam PI]. Hieruit heeft de minister kunnen en mogen afleiden dat appellant niet wenste dat aan zijn aanstelling in algemene dienst van het rijk als bedoeld in artikel 5a van het ARAR een einde kwam, maar dat hij wenste te worden overgeplaatst van PI [naam PI] naar [naam PI]. Daarbij heeft de minister terecht mede in aanmerking genomen dat het beëindigen van de aanstelling van appellant in algemene dienst van het rijk voor hem zeer nadelige consequenties zou kunnen hebben en het daarom niet voor de hand lag het verzoek van

25 juni 2009 als een aanvraag om ontslag te interpreteren. Dat appellant wenste te worden overgeplaatst, kan ook worden afgeleid uit de checklist aan de hand waarvan het arbeidsvoorwaardengesprek van 24 juni 2009 is gevoerd. Op deze checklist, die door appellant is ondertekend, is vermeld dat het gesprek betrekking had op overplaatsing. Ook uit de wijze waarop de checklist is ingevuld, kan worden opgemaakt dat tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek niet over ontslag, maar over overplaatsing van PI [naam PI] naar [naam PI] is gesproken. Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht naar aanleiding van het verzoek van appellant van 25 juni 2009 een besluit tot overplaatsing genomen.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in geval van overplaatsing geen recht heeft op een stimuleringspremie. Gelet op wat onder 4.1 is overwogen, behoeft de afwijzing van de aanvraag om een stimuleringspremie dan ook geen verdere bespreking.

4.3.

Uit wat is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat geen grond bestaat om de minister te veroordelen tot het vergoeden van materiële schade.

4.5.1.

Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als dat van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

4.5.2.

Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de minister op

24 augustus 2009 en 16 januari 2010 van de bezwaarschriften van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna zes maanden, respectievelijk vier jaar en ruim een maand verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van de bezwaren door de minister ruim drie maanden respectievelijk ongeveer vier en een halve maand geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 4 maart 2010 en 8 juli 2010 van de beroepschriften van appellant heeft de behandeling van de beroepen door de rechtbank ruim twee jaar en bijna drie maanden respectievelijk een jaar en bijna 11 maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 3 juli 2012 van het hogerberoepschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak een jaar en ongeveer zeven en een halve maand geduurd. Aan deze vaststellingen wordt het vermoeden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de rechtbank.

4.5.3.

Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 (oud), tweede lid, van de Awb moet in een nadere procedure worden beslist over appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met - eveneens - verdragsconforme toepassing van

artikel 8:26 van de Awb wordt daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aangemerkt als partij in die procedure.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot het vergoeden van materiële schade af;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over

het verzoek van appellant om vergoeding van schade met betrekking tot mogelijke

overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van

Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2014.

(getekend) R. Kooper

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD