Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
12-1240 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning militair garantiepensioen. Appellant komt niet in aanmerking voor een invaliditeitspensioen. De Raad acht het bestreden besluit met de medische rapporten voldoende onderbouwd en deugdelijk gemotiveerd. Appellant was, achteraf bezien, door zijn aanleg voor wanen ongeschikt voor uitzending naar crisisgebieden en daarmee voor de militaire dienst. Geenszins is bedoeld dat de uitzending de psychische aandoening heeft veroorzaakt of blijvend heeft verergerd. De redenering van appellant dat hij geschikt is bevonden voor uitzending en blijvend dienstongeschikt is teruggekomen, zodat minimaal sprake moet zijn van verergerend dienstverband, gaat eraan voorbij dat zijn ongeschiktheid voor de militaire dienst in feite reeds vóór de uitzending bestond, maar toen onvoldoende is onderkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1240 MPW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s‑Gravenhage van 18 januari 2012, 11/4241 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant], voorheen [appellant], te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

In verband met een herverdeling van taken is in deze zaak de minister in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de staatssecretaris verstaan.

Namens appellant heeft L.C. van der Hulst hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2013. Voor appellant is mr. P.M. Groenhart verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1.

Appellant, geboren in 1969, is in 1995‑1996 als militair uitgezonden geweest naar het voormalig Joegoslavië. In 2002‑2003 is hij opnieuw daarheen uitgezonden, maar voortijdig gerepatrieerd. In januari 2006 is hij op eigen verzoek onderworpen aan een Incidenteel Geneeskundig Onderzoek, waarvan op 7 april 2006 verslag is uitgebracht. In juni 2006 is een Militair Geneeskundig Onderzoek (MGO) ingesteld, waarvan op 20 juli 2006 rapport is uitgebracht. Met ingang van 13 augustus 2007 is appellant uit de militaire dienst ontslagen wegens ongeschiktheid uit hoofde van ziekte of gebrek.

1.2.

Bij besluit van 6 november 2007 is aan appellant een militair garantiepensioen toegekend. Daarbij is aangegeven dat ten aanzien van de psychische aandoening geen verband met de uitoefening van de militaire dienst wordt aanvaard. Dit betekent dat appellant niet in aanmerking komt voor een invaliditeitspensioen. Bij besluit van 30 maart 2011 (bestreden besluit) heeft de minister het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

In het kader van het MGO is appellant onderzocht door de psychiater kolonel-arts R.J.M. Mooren. Tevens is gebruik gemaakt van gegevens van de behandelend psychiater W.A.F. Sondermeyer en de klinisch psycholoog/psychotherapeut C.H. Boersma. De conclusie luidde dat appellant lijdt aan een waanstoornis van het paranoïde type, die voor het eerst in 2000 is gediagnosticeerd. Deze aandoening berust op factoren gelegen buiten de uitoefening van de militaire dienst. Ook van een blijvende verergering als gevolg van de uitoefening van de militaire dienst is geen sprake.

3.2.

De minister heeft het bezwaar van appellant om advies voorgelegd aan de verzekeringsgeneeskundige H.M. de Boer. Deze heeft nader aangegeven dat bij appellant sprake is van een psychotische persoonlijkheidsstructuur, die bij verhoogde arousal (stress) kan uitmonden in een toestand met paranoïde wanen. In het geval van appellant zijn de problemen ontstaan in 1998, toen hij een conflict kreeg met een nieuwe leidinggevende. De uitzending in 2003 had beter niet kunnen plaatsvinden en heeft  opnieuw  geleid tot een tijdelijke uitbreiding van het psychotisch beeld, aldus De Boer.

3.3.

De Raad acht het bestreden besluit met deze medische rapporten voldoende onderbouwd en deugdelijk gemotiveerd. De beschikbare medische gegevens wijzen alle in dezelfde richting. Kort gezegd, heeft appellant aanleg voor paranoïde wanen, die tijdelijk worden verergerd en uitgebreid door stressvolle situaties. De beide decompensaties van appellant, rond 2000 en in 2003 tijdens de uitzending, zijn zo ontstaan. Na het wegvallen van de spanningen en het instellen van zijn medicatie kan hij weer op een redelijk aanvaardbaar niveau functioneren. Appellant heeft geen objectieve gegevens aangedragen die op het vorenstaande een ander licht werpen.

3.4.

Aanwijzingen dat de paranoïde persoonlijkheidsstructuur zelf aan de uitoefening van de militaire dienst is toe te schrijven, ontbreken. Evenmin kan van een verergerend dienstverband worden gesproken. Naar vaste rechtspraak is voor het aannemen daarvan vereist dat de ziekte of het gebrek blijvend is verergerd (CRvB 13 september 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD6396). Daarbij komt beslissende betekenis toe aan verergering van de ziekte zelf, in de zin van een grotere gezondheidsschade (CRvB 23 december 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR8646). Een tijdelijke verergering van alleen de symptomen, zoals bij appellant tweemaal is opgetreden, voldoet niet aan deze voorwaarden. Dat appellant aan zijn decompensaties blijvende extra schade aan de gezondheid heeft overgehouden, kan op grond van de beschikbare gegevens niet worden staande gehouden.

3.5.

Appellant heeft erop gewezen dat Mooren en De Boer beiden van oordeel zijn dat de uitzending in 2002‑2003 niet had mogen plaatsvinden. Hiermee is echter alleen gezegd dat appellant, achteraf bezien, door zijn aanleg voor wanen ongeschikt was voor uitzending naar crisisgebieden en daarmee voor de militaire dienst. Geenszins is bedoeld dat de uitzending de psychische aandoening heeft veroorzaakt of blijvend heeft verergerd. De redenering van appellant dat hij geschikt is bevonden voor uitzending en blijvend dienstongeschikt is teruggekomen, zodat minimaal sprake moet zijn van verergerend dienstverband, gaat eraan voorbij dat zijn ongeschiktheid voor de militaire dienst in feite reeds vóór de uitzending bestond, maar toen onvoldoende is onderkend.

3.6.

Voor de stelling van appellant dat hij lijdt aan een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) ontbreekt ieder aanknopingspunt. Niet alleen hebben de betrokken artsen eensluidend een andere diagnose gesteld, maar ook is niet naar voren gekomen dat appellant blootgesteld is geweest aan concrete oorlogservaringen met een traumatiserend karakter.

3.7.

Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2014.

(getekend) R. Kooper

(getekend) M.R. Schuurman

HD