Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
13-276 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De herziening en terugvordering studiefinanciering berust op goede gronden. De Minister mag zich bij de vaststelling of, en voor welke vorm van onderwijs, een studerende is ingeschreven in beginsel baseren op de door de onderwijsinstelling verstrekte gegevens. De opleiding waarvoor appellante met ingang van genoemde datum is ingeschreven is door appellantes onderwijsinstelling niet als specialistenopleiding gekwalificeerd, maar als middenkaderopleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/276 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

5 december 2012, 12/1084 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.M. Breukers hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Breukers. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde de Minister in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te zenden. De Minister heeft bij brief van 20 september 2013 nadere informatie verstrekt. Bij brief van 8 oktober 2013 heeft de Minister laten weten dat herhaalde pogingen om nadere informatie van appellantes onderwijsinstelling te verkrijgen op niets zijn uitgelopen.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is, voor zover hier van belang, op haar aanvraag met ingang van

1 maart 2011 studiefinanciering in aansluiting op een door haar vanaf 2007 gevolgde opleiding op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend voor een specialistenopleiding, BOL NIVEAU 3 of 4.

1.2. De Minister heeft de inschrijving van appellante aan deze opleiding gecontroleerd en appellante bij besluit van 18 februari 2012 meegedeeld dat uit de controle is gebleken dat appellante in maart 2011 ingeschreven stond aan een vakopleiding, BOL NIVEAU 3 of 4, en vanaf april 2011 aan een middenkaderopleiding, BOL NIVEAU 3 of 4. De Minister heeft, gelet op deze gegevens, de aan appellante toegekende studiefinanciering herzien en daarbij een bedrag van € 2.576,17 van appellante teruggevorderd.

1.3. De Minister heeft het tegen de herziening en terugvordering door appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 23 mei 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat appellante, gelet op de door haar gevolgde opleiding, recht had op maximaal 4 jaren prestatiebeurs. Omdat zij met ingang van 1 maart 2007 prestatiebeurs had ontvangen was de periode waarover zij recht had op prestatiebeurs op 1 maart 2011 verstreken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - voor zover thans nog van belang - overwogen dat de opleiding die appellante volgde door de onderwijsinstelling is gekwalificeerd als middenkaderopleiding en dat de Minister daarom tot herziening van de eerder toegekende studiefinanciering heeft mogen overgaan. Voor zover appellante het met de door de onderwijsinstelling gegeven kwalificatie niet eens is, zal zij zich tot die onderwijsinstelling moeten wenden.

3.

In hoger beroep heeft appellante uitsluitend nog aangevoerd dat de Minister heeft in te staan voor de feiten die hij aan zijn besluiten ten grondslag legt. Indien bij de besluitvorming gebruik wordt gemaakt van gegevens van derden, dan behoren deze gegevens door de Minister op juistheid te worden onderzocht, nu de aanspraak op studiefinanciering van die gegevens afhangt.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1. Op grond van artikel 4.7, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt, met uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, voor een opleiding niveau 3 of 4 binnen en buiten Nederland tezamen gedurende ten hoogste 4 jaren studiefinanciering verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs, met dien verstande dat de aanvullende beurs in de eerste 12 maanden waarvoor aanspraak op studiefinanciering bestaat wordt verstrekt in de vorm van een gift.

4.1.2. Indien een deelnemer een specialistenopleiding volgt en hij 4 jaren studiefinanciering in de vorm van prestatiebeurs heeft genoten, wordt op grond van artikel 4.7, tweede lid, van de Wsf 2000 aan hem studiefinanciering, met uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, voor die opleiding op aanvraag gedurende ten hoogste 2 jaren verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs.

4.2.

Vastgesteld kan worden dat appellante bij haar aanvraag heeft doorgegeven dat zij vanaf medio februari 2011 een specialistenopleiding ging volgen. Op basis daarvan is aan haar met toepassing van artikel 4.7, tweede lid, van de Wsf 2000 studiefinanciering toegekend.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 12 januari 2007, LJN AZ6731) is inschrijving een zaak tussen studerende en onderwijsinstelling. De Minister mag zich bij de vaststelling of, en voor welke vorm van onderwijs, een studerende is ingeschreven in beginsel baseren op de door de onderwijsinstelling verstrekte gegevens. In het onderhavige geval is dat niet anders.

4.4.1.

De opleiding waarvoor appellante met ingang van genoemde datum is ingeschreven is door appellantes onderwijsinstelling niet als specialistenopleiding gekwalificeerd, maar als middenkaderopleiding.

4.4.2.

Bij uitstek een onderwijsinstelling kan beoordelen hoe door haar verzorgde opleidingen moeten worden gekwalificeerd. Zoals ook volgt uit de onder 4.3 genoemde rechtspraak brengt artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, anders dan appellante meent, niet mee dat de Minister na het vergaren van informatie ten behoeve van zijn besluitvorming de juistheid van de kwalificatie die een onderwijsinstelling heeft gegeven aan haar opleidingen zou moeten onderzoeken.

4.4.3.

Appellante heeft gesteld dat de opleiding die zij feitelijk heeft gevolgd een opleiding is die voor wat betreft de kenmerken daarvan, waaronder met name de duur van die opleiding en de studiebelasting ervan, als een specialistenopleiding moet worden beschouwd. Mede nu van de onderwijstelling zelf geen nadere informatie is verkregen, kan op basis van appellantes stelling niet geheel worden uitgesloten dat appellante inderdaad onderwijs heeft genoten dat past bij een specialistenopleiding, maar dat neemt niet weg dat zij door de onderwijsinstelling niet was ingeschreven voor zo’n opleiding.

4.5.

Opnieuw wordt appellante erop gewezen dat zij de haars inziens onjuiste kwalificatie (zie overwegingen 4.4.1 en 4.4.2), dan wel de onjuiste inschrijving (zie overweging 4.4.3), bij de onderwijsinstelling ter discussie kan stellen.

4.6.

Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd kan, gelet op wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5, niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

5.

Uit 4.6 volgt dat er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) Z. Karekezi

QH