Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
13-3822 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Ook in hoger beroep heeft appellante haar stellingen niet onderbouwd met medische gegevens die zien op de datum in geding. Evenmin heeft zij onderbouwd waarin de gestelde onzorgvuldigheid van de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts zou zijn gelegen en waarom zij niet in staat is haar eigen werk of de geduide functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3822 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 juni 2013, 12/6411 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2013. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. J.W.F. Menick, advocaat en kantoorgenoot van mr. Snel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 20 november 2008 uitgevallen in haar werk als schoonmaakster vanwege psychische en lichamelijke klachten.

1.2. Appellante heeft op 16 augustus 2010 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Bij besluit van

20 oktober 2010 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij vanaf 8 november 2010 geen WIA-uitkering krijgt, omdat er geen gegevens zijn waaruit blijkt dat zij 104 weken ziek is geweest.

1.3. Bij besluit van 19 mei 2011 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van

20 oktober 2010 ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 7 juni 2012 het tegen het besluit van

19 mei 2011 ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op het bezwaar van appellante dient te nemen. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat de wachttijd van 104 weken door appellante wel is volgemaakt.

1.5. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 14 december 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard, omdat zij per 8 november 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv rapporten ten grondslag gelegd van een verzekeringsarts van 8 augustus 2012, van een bezwaarverzekeringsarts van 12 december 2012 en van een arbeidsdeskundige van

4 september 2012. Nadien ingekomen medische informatie van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts in een nader rapport van 17 december 2012 beoordeeld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de belastbaarheid van appellante per 8 november 2010 is vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 augustus 2012 en is gebaseerd op onderzoeken van de (bezwaar)verzekeringsarts. Uit de rapporten blijkt dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de voorhanden zijnde medische informatie hebben betrokken bij de beoordeling, en dat zij inzichtelijk hebben gemotiveerd tot welke beperkingen de klachten van appellante leiden. De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellante haar stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en dat verdergaande beperkingen hadden moeten worden aangenomen, niet nader heeft onderbouwd met medische stukken die zien op de datum in geding. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding gezien tot twijfel over de juistheid van de conclusies van het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts. Ook overigens zag de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. De rechtbank is daarom tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en berust op een deugdelijke motivering.

3.

In hoger beroep heeft appellante (samengevat) haar stellingen herhaald dat zij per

8 november 2010 meer dan 35% arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA was, dat zij haar eigen werk noch de geduide functies kan verrichten en dat de (bezwaar)verzekeringsartsen een onzorgvuldig onderzoek hebben verricht.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Dat wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van hetgeen zij in de eerdere fasen van de procedure naar voren heeft gebracht. Ook in hoger beroep heeft zij haar stellingen niet onderbouwd met medische gegevens die zien op de datum in geding. Evenmin heeft zij onderbouwd waarin de gestelde onzorgvuldigheid van de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts zou zijn gelegen en waarom zij niet in staat is haar eigen werk of de geduide functies te verrichten.

4.2.

Er bestaat geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen. De Raad onderschrijft dat oordeel en de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne.

4.3.

Gelet op hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) Z. Karekezi

CVG