Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:514

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
13-2226 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Appellante is doorlopend geschikt te beschouwen voor de passende functies conform de eerdere WAO-schatting. Geen recht op ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2226 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

14 maart 2013, 12/5113 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Faber-Speksnijder, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp, hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Faber-Speksnijder. Het Uwv is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

Appellante ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Deze uitkering is bij besluit van het Uwv van

29 mei 2007 beëindigd, op de grond dat appellante geschikt werd geacht voor drie geduide functies, waaronder die van telefonist/receptionist. Appellante heeft zich vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving per 20 juni 2011 ziek gemeld vanwege verergering van haar artrose, fibromyalgie en whiplash klachten. Appellante is op

16 september 2011 en 5 oktober 2011 op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest, die op grond van eigen onderzoek en informatie van de behandelend sector heeft geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat appellante doorlopend geschikt is te beschouwen voor de passende functies conform de eerdere WAO-schatting. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 6 oktober 2011 vastgesteld dat appellante met ingang van 20 juni 2011 geen recht heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, in navolging van de bevindingen van een bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in het rapport van 16 januari 2012, bij besluit van

30 januari 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is daarbij tot het oordeel gekomen dat er geen reden is te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen en aan de juistheid van hun conclusie dat appellante op 20 juni 2011 niet arbeidsongeschikt was voor haar maatgevende functie van telefonist/receptionist. Voor de benoeming van een onafhankelijk deskundige heeft de rechtbank dan ook geen aanleiding gezien.

3.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij op 20 juni 2011 vanwege haar medische beperkingen niet in staat was de functie van telefonist/receptionist te vervullen en derhalve ziek moet worden beschouwd in de zin van de ZW.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan het laatstelijk voor het intreden van de ongeschiktheid tot werken verrichte werk. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

Dat wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.3.

Het in hoger beroep overgelegde specialisten bericht van reumatoloog

dr. H.E. Vonkeman (ondertekend door reumatoloog I.L. Meek) van 23 augustus 2011, waarin geconcludeerd wordt tot een chronisch diffuus pijnsyndroom, polyartrose en statische afwijkingen, bevat geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellante per datum in geding, nu deze conclusie reeds was opgenomen in de door de verzekeringsarts bij diens beoordeling betrokken brief van reumatoloog Meek van 27 september 2011 (gedingstuk B36). Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

4.4.

Gelet op hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014.

(getekend) J.J.T. van de Corput

(getekend) Z. Karekezi

CVG