Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:509

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
12-6314 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:6239, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering de opgelegde loonsanctie te verkorten. Vastgesteld moet worden dat appellante in de periode na oplegging van de loonsanctie tot 13 mei 2011 geen stukken heeft overgelegd, noch op andere wijze heeft aangegeven, dat nieuwe dan wel andere re-integratieactiviteiten zijn opgestart, die zouden kunnen leiden tot een bekorting van de loonsanctie. Het Uwv heeft dan ook terecht besloten de loonsanctie niet te verkorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6314 WIA

Datum uitspraak: 19 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

25 oktober 2012, 12/215 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2013. Voor appellante is verschenen [naam werkgever], bijgestaan door mr. Beishuizen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werknemer] (werknemer) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken tot 27 februari 2012. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken, en op de grond dat de

re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Voor dit verzuim ontbreekt volgens het Uwv een deugdelijke grond. Het Uwv heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA. Bij besluit van 29 april 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 januari 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan dit besluit een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 april 2011 ten grondslag gelegd. Tegen het besluit van 29 april 2011 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

2.1.

Appellante heeft tijdens de procedure in bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2011 op 29 maart 2011 een verzoek tot bekorting van de loonsanctie ingediend. Bij besluit van

13 mei 2011 heeft het Uwv het tijdvak waarin de werknemer jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte verkort tot 30 mei 2011.

2.2.

Bij besluit van 13 december 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van de werknemer tegen het besluit van 13 mei 2011 gegrond verklaard. Het Uwv heeft aan dit besluit een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 november 2011 ten grondslag gelegd. Daarbij heeft het Uwv vastgesteld dat appellante de tekortkomingen van de

re-integratieverplichtingen om de werknemer bij een andere werkgever te laten re-integreren, het zogenaamde spoor 2, niet heeft hersteld. Om die reden wordt het tijdvak waarin de werknemer jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte niet verkort tot 30 mei 2011, maar tot de datum beëindiging dienstverband, 30 oktober 2011.

3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv met de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 april 2011 en 28 november 2011 aannemelijk heeft gemaakt dat appellante met het aanmelden van de werknemer bij het Centraal Inburgeringsloket van de gemeente Rotterdam voor het volgen van een

NT2-taalcursus, het aanbieden van een sjabloon voor het opstellen van een curriculum vitae en een modelsollicitatiebrief, het attenderen van de werknemer op door de trajectbegeleidster geselecteerde vacatures en de werknemer een heftruckchauffeur opleiding te laten volgen onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in spoor 2. De rechtbank heeft voorts onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad overwogen dat de werkgever verantwoordelijk is en blijft voor de re-integratie van de werknemer met inbegrip van de activiteiten werkzaamheden van degene die hij daarbij inschakelt. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat het feit dat aan de werknemer uiteindelijk bij besluit van 28 februari 2012 een

WGA-uitkering is toegekend op basis van volledige arbeidsongeschiktheid er niet aan af doet dat op appellante de verplichting rustte inspanningen te verrichten gericht op de re-integratie van de werknemer.

4.

In hoger beroep herhaalt appellante het standpunt dat er geen re-integratiekansen zijn gemist. Appellante is samenvattend van mening dat zij met bekostiging van de cursus Nederlands en de te volgen opleiding tot heftruckchauffeur in combinatie met de vele vacatures die aan de werkgever zijn aangeboden voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De werknemer heeft vele malen kunnen solliciteren op functies die voor hem als passend aan te merken zijn. Appellante stelt voorts dat de vaststelling dat de

re-integratie-inspanningen in spoor 1 voldoende zijn geweest tot verkorting van de loonsanctie had moeten leiden.

5.

De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt dat in geschil is of appellante haar tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen via het tweede spoor vóór 13 mei 2011, de datum waarop op het verzoek om bekorting is beslist, heeft hersteld.

5.1.

Gelet op het bepaalde in artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA ligt het op de weg van appellante om aan te tonen dat zij de tekortkoming ten aanzien van de

re-integratie-inspanningen in spoor 2 heeft hersteld. Appellante is daarin niet geslaagd. In het rapport van 29 april 2011 heeft de bezwaararbeidsdeskundige het standpunt ingenomen dat appellante met de inkoop van het traject bij VSE/Sterren een niet-adequaat re-integratietraject in het 2e spoor heeft ingekocht waarmee zij niet heeft voldaan aan haar

re-integratie-inspanningen. Nu appellante geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit tot oplegging van de loonsanctie staat dit oordeel met betrekking tot het

re-integratietraject in rechte vast. In het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van

28 november 2011 heeft deze terecht aangegeven dat de door appellante bij het verzoek om bekorting overgelegde eindrapportage van arbeidsdeskundige M.J. Noorman van VSE/Sterren van 19 januari 2011 reeds bij de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar tegen de opgelegde loonsanctie voorhanden was. Vastgesteld moet worden dat appellante in de periode na oplegging van de loonsanctie tot 13 mei 2011 geen stukken heeft overgelegd, noch op andere wijze heeft aangegeven, dat nieuwe dan wel andere re-integratieactiviteiten zijn opgestart, die zouden kunnen leiden tot een bekorting van de loonsanctie. Het Uwv heeft dan ook terecht besloten de loonsanctie niet te verkorten. Hetgeen appellante in wezen

beoogt - een hernieuwde discussie over de adequaatheid van het door haar ingekochte

re-integratie-traject - kan in het kader van het onderhavige hoger beroep niet plaatsvinden.

6.

Uit hetgeen hiervoor onder 5.1. is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

7.

Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot het vergoeden van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

J.S. van der Kolk als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) E. Heemsbergen

QH