Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:506

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
12-5662 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant (langer) ongeschikt moet worden geacht voor de hem in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functie van huishoudelijk medewerker. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn beperkingen zijn onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5662 ZW

Datum uitspraak: 19 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

29 augustus 2012, 12/1447 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 december 2013. Voor appellant is verschenen mr. B. Arabaci, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant ontving sinds 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is appellant in staat geacht om arbeid te verrichten, mits sprake is van stressarm werk zonder veelvuldige storingen of onderbrekingen en waarin niet frequent lasten van ongeveer vijftien kilo moeten worden getild. Appellant is een aantal voorbeeldfuncties voorgehouden. Met ingang van november 2006 is de WAO-uitkering beëindigd. Nadat appellant daartegen bezwaar had gemaakt en vervolgens beroep had ingesteld, heeft de rechtbank bij uitspraak van 26 oktober 2007 de beëindiging van de WAO-uitkering per november 2006 in stand gelaten

2.

Vanuit een situatie waarin appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich op 29 november 2010 wegens psychische klachten en pijnklachten opnieuw ziek gemeld. Appellant is meerdere keren op het spreekuur van een verzekeringsarts gezien, laatstelijk op 24 januari 2012. Op basis van dossieronderzoek en eigen onderzoek heeft deze arts geconcludeerd dat appellant per 25 januari 2012 weer geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid, te weten één van de in het kader van de WAO-beoordeling aan appellant voorgehouden functies. Bij besluit van 24 januari 2012, zoals gehandhaafd bij besluit van

5 april 2012 (bestreden besluit), is de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 25 januari 2012 beëindigd. Aan het bestreden besluit liggen rapporten ten grondslag van een bezwaarverzekeringsarts en van een bezwaararbeidsdeskundige van 4 april 2012.

3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het medische onderzoek zorgvuldig en deugdelijk was verricht, omdat de bezwaarverzekeringsarts de hoorzitting heeft bijgewoond, appellant aansluitend heeft onderzocht, informatie heeft ingewonnen bij de behandelende psychiater en de diagnose heeft overgenomen. Volgens de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts op grond daarvan een groot aantal beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen. Aan de hand van die beperkingen heeft de bezwaararbeidsdeskundige vervolgens geconcludeerd dat appellant in staat moet worden geacht om de hem destijds voorgehouden functie van huishoudelijk medewerker (SBC-code 111334) te verrichten.

4.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij niet in staat is om arbeid te verrichten. Daarnaast heeft hij naar voren gebracht dat hij slechts in een WSW-omgeving kan werken nu zijn behandelend psychiater heeft opgemerkt dat hij veel steun en structuur nodig heeft om zich te kunnen handhaven. Tot slot heeft appellant aangegeven dat hij niet in staat is om met anderen samen te werken en heeft hij om onafhankelijk psychiatrisch onderzoek verzocht.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Bij herhaling is overwogen dat onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin dient te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste rechtspraak in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering op grond van de WAO. Inmiddels is al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is, indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO.

5.2.

De vraag moet dus worden beantwoord of het oordeel van de rechtbank kan worden onderschreven dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 25 januari 2012 niet (langer) ongeschikt moet worden geacht voor de hem in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functie van huishoudelijk medewerker

(SBC-code 111334).

5.3.

Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het bij een beroep tegen een hersteldverklaring in het kader van de ZW gaat om de vraag of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen. Daarbij staat ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Geoordeeld wordt dat daarvan in de onderhavige zaak sprake is. Hierbij wordt gewezen op meergenoemd rapport van de bezwaarverzekeringsarts van

4 april 2012 en op de rapporten van 25 april 2012 en 25 oktober 2012, waarin de bezwaarverzekeringsarts is ingegaan op het door appellant in beroep en in hoger beroep ingenomen standpunt. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd het standpunt herhaald dat er geen aanleiding is om het bestreden besluit niet te handhaven. Bovendien heeft een bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 4 april 2012 nog expliciet de geschiktheid van de functie van huishoudelijk medewerker (SBC-code 111334) beoordeeld.

5.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de datum hier in geding zijn beperkingen zijn onderschat. Evenals de rechtbank wordt daarbij gewezen op de door de bezwaarverzekeringsarts opgevraagde informatie van Altrecht geestelijke gezondheidszorg van 23 maart 2012 en dat deze arts vervolgens beperkingen heeft aangenomen die volledig bij die informatie aansluiten. Aangezien appellant geen nadere relevante medische gegevens heeft ingebracht - de informatie uit het huisartsenjournaal ziet niet op de datum hier in

geding - wordt geen aanleiding gezien om een onafhankelijk deskundige in te schakelen zoals door appellant is verzocht.

6.

Uit hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7.

Er bestaat geen aanleiding om tot een proceskostenveroordeling over te gaan.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) Z. Karekezi

sg