Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
12-5582 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:3353, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Medische beoordeling is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen alsmede inzichtelijk gemotiveerd. Naar aanleiding van de door appellant ingebrachte nadere medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts een adequate reactie gegeven en op overtuigende wijze gemotiveerd in de ingebrachte medische informatie geen aanleiding te zien om van het eerdere ingenomen standpunt af te wijken. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om de bezwaarverzekeringsarts niet in zijn conclusie te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5582 ZW

Datum uitspraak: 19 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

6 september 2012, 12/88 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.G.A.P. Boemaars, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boemaars. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als algemeen medewerker voor 32 uur per week in een re-integratiebedrijf. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich op 31 maart 2010 ziek gemeld vanwege diverse klachten. Appellant heeft meerdere malen het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Naar aanleiding van het telefonische spreekuur op 1 november 2011 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant ondanks zijn functionele beperkingen weer voldoende belastbaar is om in zijn arbeid te hervatten. Bij besluit van 1 november 2011 is appellant met ingang van 8 november 2011 hersteld verklaard en is zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per die datum beëindigd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van

2 januari 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2011 ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van

22 december 2011 ten grondslag gelegd.

2.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het medische onderzoek voldoende zorgvuldig was verricht en dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen naar voren komt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten, waaronder klachten van de hand, pols, nek en psychische klachten. Volgens de rechtbank hebben de verzekeringsartsen gemotiveerd aangegeven waarom zij van mening zijn dat appellant geschikt is om zijn eigen arbeid te verrichten. De rechtbank heeft - ook nadat appellant nadere medische informatie had ingebracht - geen aanleiding gezien om aan de bevindingen van de verzekeringsartsen te twijfelen.

3.

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Hij heeft zijn standpunt herhaald dat - samengevat - zijn medische beperkingen zijn onderschat. Daartoe heeft appellant nadere medische informatie in het geding gebracht. Appellant blijft er dan ook bij dat hij als gevolg van zijn beperkingen niet in staat is om zijn werkzaamheden van algemeen medewerker te verrichten en dat zijn ziekengeld met ingang van 8 november 2011 ten onrechte is beëindigd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW dient ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in de artikelen 9, 10 of 12 van de ZW, onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid te worden verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medische onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen alsmede inzichtelijk is gemotiveerd. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 22 december 2011 blijkt dat deze arts dossierstudie heeft verricht, informatie van de behandelend sector heeft meegenomen, de hoorzitting heeft bijgewoond en appellant aansluitend op het spreekuur heeft gezien. Naar aanleiding van de door appellant in beroep en in hoger beroep ingebrachte nadere medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts blijkens de rapporten van

2 maart 2012 respectievelijk 11 december 2012 een adequate reactie gegeven en op overtuigende wijze gemotiveerd in de ingebrachte medische informatie geen aanleiding te zien om van het eerdere ingenomen standpunt af te wijken. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om de bezwaarverzekeringsarts niet in zijn conclusie te volgen.

5.

Hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) Z. Karekezi

sg