Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
13-3747 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar moeder (verzoek om loskoppeling). Geen sprake van een ernstig en structureel conflict tussen appellante en haar moeder als bedoeld in de artikelen 3.14 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en 6, eerste lid, aanhef en onder a, en 7 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000). De verstoorde relatie met haar moeder moet uiterst pijnlijk zijn voor appellante, maar deze relatie levert geen conflict op in de zin van de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3747 WSF

Datum uitspraak: 12 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 juli 2013, 12/1772 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Tason Avila, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Tason Avila. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 12 juni 2012 (bestreden besluit) waarbij de Minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 19 maart 2012 heeft gehandhaafd. Bij dat besluit is afgewezen het verzoek van appellante van 2 maart 2012 om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar moeder (verzoek om loskoppeling), op de grond dat niet kan worden gesproken van een ernstig en structureel conflict tussen appellante en haar moeder als bedoeld in de artikelen 3.14 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en 6, eerste lid, aanhef en onder a, en 7 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000).

2.

In hoger beroep betoogt appellante dat wel voldaan is aan de conflicteis. Er is meer aan de hand dan alleen het langdurig ontbreken van een relatie tussen appellante en haar moeder ten gevolge van de scheiding van haar ouders. De moeder van appellante heeft na verbreking van de relatie met de vader van appellante niet willen accepteren dat appellante ervoor gekozen heeft om bij haar vader te gaan wonen. Zij heeft vanaf die tijd geestelijke druk op appellante uitgeoefend om te bereiken dat appellante alsnog voor haar kiest en bij haar komt wonen. Appellante voelt zich gemanipuleerd en emotioneel gechanteerd door haar moeder. Door alle gebeurtenissen vermijdt appellante het contact met haar moeder.

3.

De Raad overweegt als volgt.

3.1.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat niet is voldaan aan de grond tot loskoppeling als bedoeld in artikel 3.14 van de Wsf 2000 en de artikelen 6, eerste lid, aanhef en onder a, en 7 van het Bsf 2000. Volgens de Nota van Toelichting bij het Bsf 2000 valt bij een ernstig en structureel conflict te denken aan een zodanig fundamenteel en structureel verstoorde relatie dat loskoppeling de enige weg is, zoals in gevallen waarbij ernstig lichamelijk of ernstig geestelijk geweld een rol heeft gespeeld. Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd, en de ter ondersteuning daarvan overgelegde verklaringen, valt niet af te leiden dat sprake is van een dergelijk voor loskoppeling in aanmerking komend conflict. Er is onmiskenbaar sprake van een verstoorde relatie tussen appellante en haar moeder, welke relatie vanaf de scheiding van haar ouders in 2007, appellante was toen 14 jaar oud, steeds verder is verslechterd. Uit de door appellante overgelegde eigen verklaringen en de aan haar moeder gerichte brief van

6 mei 2012 leidt de Raad af dat bij appellante sprake is van verdriet, wrok en verbittering over het gedrag en de opstelling van moeder jegens haar en haar vader. Hierdoor wilde ze op een gegeven moment, rondom de leeftijd van 17 jaar, (ook) zelf geen contact meer met haar moeder. In de door appellante overgelegde verklaringen van haar mentor, zorgcoördinator en budgetcoach van het ROC Amsterdam van 24 februari 2012, 24 mei 2013 en

28 november 2013 wordt niet gelezen dat de voortgang van de studie van appellante wordt belemmerd door de moeizame relatie met haar moeder. De Raad begrijpt dat de verstoorde relatie met haar moeder uiterst pijnlijk moet zijn voor appellante, maar deze relatie levert geen conflict op in de zin van de wet.

3.2.

Het gegeven dat appellante op 29 oktober 2013 door haar huisarts is verwezen naar een psycholoog brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De psycholoog zal niet op grond van eigen onderzoeksbevindingen, doch slechts alleen op grond van horen zeggen, kunnen verklaren over de periode die in dit geding aan de orde is, te weten de periode die zich uitstrekt vanaf de datum toekenning studiefinanciering per september 2011 tot en met de datum van het bestreden besluit. Daarnaast is hierbij van betekenis dat appellante ter zitting heeft aangegeven dat ze sinds kort moeilijk functioneert en moeite heeft om zich te motiveren voor studie en werk, wat ze terugvoert op de situatie met haar moeder. Van een dergelijke gemoedstoestand en wijze van functioneren was blijkens eerdere verklaringen van appellante, de verklaring van haar vader van 17 februari 2012 alsmede de verklaringen van de mentor van het ROC Amsterdam van 24 februari 2012 en 24 mei 2013, in ieder geval niet sprake in de hier aan de orde zijnde periode.

3.3.

Uit hetgeen is overwogen in 3.1 en 3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) K.E. Haan

QH