Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:487

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
13-3535 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beperking reisrecht met ingang van 1 januari 2013.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen
Wet algemene bepalingen 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2014/91
RSV 2014/79
ABkort 2014/97

Uitspraak

13/3535 WSF

Datum uitspraak: 12 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 mei 2013, 13/726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. Appellante is niet verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van de Minister van 21 december 2012, waarbij de minister heeft gehandhaafd zijn besluit inhoudende dat appellante met ingang van 1 januari 2013 geen recht meer heeft op de reisvoorziening. De rechtbank heeft hiertoe naar aanleiding van de gronden van beroep en onder uiteenzetting van het wettelijk kader overwogen dat de wetgever de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) zo heeft kunnen wijzigen dat appellante per

1 januari 2013 niet langer recht heeft op een reisvoorziening. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de Minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van (zeer) bijzondere omstandigheden die nopen tot toepassing van artikel 11.5 van de Wsf 2000, dan wel die nopen tot het buiten toepassing laten van de wettelijke bepaling op basis waarvan de Minister de reisvoorziening van appellante heeft beëindigd.

2.1.

In hoger beroep heeft appellante onder aanvoering van het vertrouwensbeginsel gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de wetgever de wet heeft kunnen wijzigen zoals is gedaan. Appellante heeft gesteld dat zij - nu dat haar is toegezegd - erop mocht vertrouwen dat zij haar reisvoorziening nadat zij haar prestatiebeurs had verbruikt nog drie jaar zou kunnen behouden.

2.2.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij als gevolg van het besluit van de Minister in ernstige financiële problemen zal geraken en de Minister in verband daarmede de wet buiten toepassing had moeten laten of daarvan had moeten afwijken.

3.1.

De Raad overweegt als volgt.

3.2.

Terecht heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de wetgever de Wsf 2000 niet heeft kunnen wijzigen zoals zij heeft gedaan.

3.3.1.

Artikel 11 van de Wet algemene bepalingen verbiedt de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Toetsing van een formele wet aan fundamentele rechtsbeginselen behoort evenmin tot de mogelijkheden. De Raad wijst op het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (Harmonisatiewetarrest).

3.3.2.

Met juistheid heeft de rechtbank in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat afwijking van de Wsf 2000, dan wel het buiten toepassing laten van de bepaling op basis waarvan de Minister de reisvoorziening heeft beëindigd, is aangewezen.

3.3.3.

Uit de wetsgeschiedenis - zie EK, 2011-2012, 33 145, C, blz. 4, tweede alinea, volgt dat de wetgever in zijn beschouwing heeft betrokken de verwachtingen die zouden kunnen zijn ontstaan op basis van de voorheen geldende regeling.

3.3.4.

Terecht heeft de rechtbank er voorts op gewezen dat artikel 11.5 van de Wsf 2000 geen toepassing kan vinden in het geval onverkorte toepassing van een bepaling in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet. De wetgever heeft gelet op de tekst van de wet uitdrukkelijk beoogd om in situaties waarin appellante verkeert de reisvoorziening per 1 januari 2013 te beëindigen. Uit de wetsgeschiedenis - zie onder meer TK, 2011-2012, 33 145, nr 8, blz 33, eerste alinea en nr. 12, blz 18, derde en vierde alinea - volgt dat de regering onder ogen heeft gezien of het beperken van de reisvoorziening tot onoverkomelijke problemen zou leiden. Naar de opvatting van de regering is zulks niet het geval, omdat de leenmogelijkheden die studenten die verkeren in de positie van appellante toereikend zijn om ook in de reiskosten te voorzien. De regering heeft er in dit verband op gewezen dat de leenruimte meer biedt dan het totaal van de basisbeurs, aanvullende beurs en leenruimte in de prestatiebeursfase. Dit heeft tot gevolg dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden aanleiding kan bestaan voor toepassing van artikel 11.5 van de Wsf 2000. Hetgeen appellante heeft aangevoerd bevat geen aanknopingspunten voor het bestaan van zo’n uitzonderlijke situatie. Appellante heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat de voortzetting van haar studie in gevaar komt door het vervallen van het recht op de reisvoorziening. De enkele omstandigheid dat reeds maximaal is geleend is hiervoor onvoldoende.

3.4.

Het door appellante gedane beroep op het vertrouwensbeginsel mist doel. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan haar door of namens de Minister toezeggingen zijn gedaan dat zij de reisvoorziening gedurende haar gehele studie zou behouden. In de zogenoemde prolongatieberichten studiefinanciering is overigens ook steeds vermeld dat toekenning plaatsvindt onder voorbehoud van wetswijziging. Voorts heeft de Minister onweersproken gesteld dat hij reeds voordat de wetgever de wijziging van de reisvoorziening heeft vastgesteld de studenten over deze op handen zijnde wijziging en de gevolgen hiervan heeft geïnformeerd.

4.1.

Het hoger beroep treft mitsdien geen doel en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.2.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) K.E. Haan

QH