Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:486

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
13-4513 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging vordering voor het studentenreisproduct. Nu appellante van augustus tot en met november 2012 niet stond ingeschreven bij haar onderwijsinstelling, had zij in die maanden geen recht op studiefinanciering en het studentenreisproduct. Het behoort tot de hoofdlijnen van de Wsf 2000 dat het recht op een studentenreisproduct is gekoppeld aan het recht op een basisbeurs en/of aanvullende beurs en (daarmee) aan de inschrijving bij de universiteit of hogeschool. Appellante had dan ook moeten weten dat haar recht op een studentenreisproduct zou eindigen vanaf het moment dat zij zich had uitgeschreven bij de universiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4513 WSF

Datum uitspraak: 12 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

3 juli 2013, 13/1682 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en de Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013.

Appellante is niet verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van de Minister van 14 februari 2013, waarbij de Minister zijn besluit tot oplegging van een vordering voor het studentenreisproduct over augustus tot en met oktober 2012 op grond van artikel 3.27, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) heeft gehandhaafd, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat op de website van de Minister duidelijk staat vermeld dat om te bepalen tot wanneer er recht bestaat op studiefinanciering en het studentenreisproduct, er wordt gekeken naar de datum waarop de hogeschool of universiteit de studerende uitschrijft. Nu appellante van augustus tot en met november 2012 niet stond ingeschreven bij haar onderwijsinstelling, had zij in die maanden geen recht op studiefinanciering en het studentenreisproduct. Dat appellante die informatie anders heeft geïnterpreteerd en dientengevolge heeft verzuimd om tijdig haar studentenreisproduct te beëindigen, komt voor haar rekening en risico. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van appellante om wijzigingen door te geven. Het is geen verplichting van de Minister om iedere twee weken een controle uit te oefenen om zodoende een boete laag te houden.

2.

Appellante kan zich hier niet mee verenigen. Zij heeft zich tijdelijk uitgeschreven bij de universiteit en behield dus het recht op het studentenreisproduct. Immers, nergens op de website van de Minister staat vermeld dat een tijdelijke uitschrijving een situatie is waarin men geen recht meer heeft op een studentenreisproduct. Ook is het boetetraject van de Minister niet rechtsgeldig.

3.1.

De Raad overweegt als volgt.

3.2.

De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat de vordering voor het studentenreisproduct in de in 1 genoemde periode juist is. Het behoort tot de hoofdlijnen van de Wsf 2000 dat het recht op een studentenreisproduct is gekoppeld aan het recht op een basisbeurs en/of aanvullende beurs en (daarmee) aan de inschrijving bij de universiteit of hogeschool. Appellante had dan ook moeten weten dat haar recht op een studentenreisproduct zou eindigen vanaf het moment dat zij zich had uitgeschreven bij de universiteit. De door haar bij het hoger beroepschrift overgelegde stukken leiden niet tot een andere conclusie.

3.3.

De stelling van appellante omtrent de rechtsgeldigheid van het boetetraject slaagt evenmin. De vordering op grond van artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 is geen punitieve sanctie. Er is geen sprake van het opleggen van een straf maar van een zuiver reparatoire maatregel. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 31 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1235).

4.

De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) K.E. Haan

QH