Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:482

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
12-12 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Appellanten hebben vanaf de aanvang van de bijstand op geld waardeerbare werkzaamheden verricht en appellanten hebben van deze werkzaamheden geen melding gemaakt aan het college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/75

Uitspraak

12/12 WWB, 12/13 WWB

Datum uitspraak: 11 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 14 december 2011, 10/499 en 11/325 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant], appellant, en [Appellante], appellante, beiden te[woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft [N.] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college zich heeft laten vertegenwoordigen door

H.M.M. Adema.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 27 februari 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Tevens ontvingen zij vanaf 12 juni 2008 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag.

1.2.

Bij besluit van 15 december 2009 heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 27 februari 2007 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van

27 februari 2007 tot en met 31 oktober 2009 tot een bedrag van € 33.862,49 van appellanten teruggevorderd. Bij dat besluit heeft het college tevens de bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag tot een bedrag van € 2.532,30 van appellanten teruggevorderd. De besluitvorming berust onder meer op de grond dat appellant vanaf de aanvang van de bijstand op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijfsnaam] en dat appellanten van deze werkzaamheden geen melding hebben gemaakt aan het college.

1.3.

Bij besluit van 10 maart 2010 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2009 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 16 november 2009 heeft het college de aanvraag van appellant om gebruik te maken van de voorbereidingsperiode voor werkzaamheden als zelfstandige als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (BBZ) afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 25 maart 2010 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 november 2009 ongegrond verklaard op de grond dat appellant reeds werkzaamheden als beveiliger verricht en dat hij door de intrekking van de bijstand ook niet (meer) voldoet aan de voorwaarde dat er algemene bijstand moet worden ontvangen om in aanmerking te komen voor de voorbereidingsperiode.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het college het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Niet meer bestreden wordt dat appellant ten tijde in geding op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Appellanten zijn echter van mening dat het college al sinds december 2008 hiermee bekend is en dat het college, door niet onverwijld actie te ondernemen door middel van het opschorten van de bijstand in afwachting van de resultaten van een nader onderzoek, het recht op intrekking en terugvordering vanaf december 2008 heeft verspeeld. Dit geldt eveneens voor de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van de bijzondere bijstand die bij besluit van 6 augustus 2009 is toegekend. Tegen de afwijzing om in aanmerking te komen voor de voorbereidingsperiode in het kader van de BBZ zijn door appellanten geen afzonderlijke gronden aangevoerd, doch is verwezen naar de stukken.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 27 februari 2007 tot en met

15 december 2009.

4.2.

Volgens de beschikbare gegevens is begin 2009 anonieme informatie binnengekomen bij [R.], medewerker BBZ van de gemeente Almelo, inhoudende dat appellant werkzaamheden als beveiliger zou verrichten. Vervolgens is deze informatie in mei/juni 2009 doorgespeeld aan de bijstandsconsulent waarna door de Sociale Recherche Twente een onderzoek is ingesteld naar de rechtmatigheid van de bijstand van appellanten, bestaande uit onder meer waarnemingen, het horen van getuigen en het verhoren van appellant. Het onderzoek is afgesloten op

26 november 2009.

4.3.

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat appellant de door hem verrichte werkzaamheden niet heeft vermeld op de daartoe bestemde mutatieformulieren. Ook anderszins is het college niet voor afronding van het onderzoek op de hoogte geraakt van de werkzaamheden door appellant. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond van appellanten dat het college al vanaf december 2008 op de hoogte was van de werkzaamheden van appellant niet. Door deze werkzaamheden niet te melden aan het college hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.4.

De beroepsgrond van appellanten dat het college niet voortvarend heeft gehandeld en daardoor het recht op intrekking en terugvordering heeft verspeeld - welke grond wordt opgevat als een beroep op rechtsverwerking - slaagt, mede tegen de achtergrond van de hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting, evenmin. Verder wordt verwezen naar het overwogene onder 4.2 waaruit niet blijkt dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat het college niet meteen na ontvangst van de anonieme tip is overgegaan tot opschorting van het recht op bijstand en dat het college bij besluit van 6 augustus 2009 nog bijzondere bijstand heeft toegekend in de vorm van een woonkostentoeslag is in het licht van het vorenstaande evenmin onzorgvuldig te achten, nog geheel daargelaten de vraag of het college niet bevoegd zou zijn tot intrekking of terugvordering van de bijstand als het college niet voortvarend zou hebben gehandeld.

4.5.

Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellanten met ingang van 27 februari 2007 in te trekken en om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over te gaan.

4.6.

Voor zover appellanten nog hebben beoogd een beroep te doen op de zogeheten

“zes-maanden-jurisprudentie” treft deze grond geen doel. Voor de toepassing daarvan is in beginsel geen plaats meer wanneer, zoals in dit geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie.

4.7.

Het college heeft zich ten slotte op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant niet aan de voorwaarden voldoet om voor het voorbereidingsjaar in het kader van artikel 2, derde lid, van de BBZ in aanmerking te komen.

4.8.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD