Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
13-3038 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3038 WWB

Datum uitspraak: 11 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2013, 13/556 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.T. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. Voor appellant is

mr. Van Dalen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.C.N. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot en met 11 december 2009 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Op 28 januari 2010 heeft appellant zich gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 29 januari 2010 heeft hij de aanvraag ingediend. Daarbij heeft hij opgegeven dat hij met ingang van 13 november 2009

(lees: 12 december 2009) bijstand wenst te ontvangen. Bij besluit van 25 maart 2010 heeft het college appellant met ingang van 28 januari 2010 bijstand verleend. De aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 13 november 2009 (lees: 12 december 2009) heeft het college afgewezen op de grond dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om in afwijking van het bepaalde in artikel 44 van de WWB tot bijstandverlening over te gaan voorafgaande aan de datum van melding.

1.2.

Bij besluit van 24 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2010, gericht tegen de weigering bijstand te verlenen met ingang van 13 november 2009 (lees: 12 december 2009), ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hem ook over de periode van 12 december 2009 tot 28 januari 2010 bijstand wordt verleend. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat hij vanwege een eerdere moeizame bijstandsrelatie met de bijstandsverlenende dienst van het college de aanvraag van bijstand heeft uitgesteld tot hij financieel in de problemen kwam. Voorts heeft hij een beroep gedaan op zijn slechte psychische gezondheidstoestand.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dergelijke omstandigheden zich niet voordoen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vóór 28 januari 2010 buiten staat was zich te melden om bijstand aan te vragen dan wel een gegronde reden voor de latere melding had. Zijn standpunt dat hij door psychische problemen niet in staat was zich vóór 28 januari 2010 te melden is niet onderbouwd met medische gegevens. Dat appellant gezien zijn vroegere problemen met de bijstandsverlenende dienst van het college er grote moeite mee had om zich andermaal tot die dienst te wenden voor een bijstandsuitkering levert evenmin bijzondere omstandigheden op als bedoeld in 4.1.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) T.A. Meijering

HD