Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
12-6271 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:3671, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/93

Uitspraak

12/6271 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 oktober 2012, 12/3069 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Commisie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat, beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. F.E.R.M. Verhagen. De commissie heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen. Als getuige is gehoord de moeder van appellante, [naam moeder], wonende te [woonplaats].

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 30 september 2011 gemeld voor een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 1 december 2011 heeft de commissie aan appellante met ingang van 30 september 2011 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Op de bijstand is een zogeheten schoolverlaterskorting toegepast. De bijstand is verlaagd met € 263,97 per maand omdat appellante kort tevoren was gestopt met haar studie. Bij ongewijzigde omstandigheden vervalt de korting met ingang van 1 maart 2012.

1.2.

Bij besluit van 11 mei 2012 (bestreden besluit) heeft de commissie het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2011 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Daartoe is overwogen dat de commissie het bezwaarschrift, dat is gedateerd op 4 januari 2012, pas op 3 februari 2012 heeft ontvangen. Hierdoor is de bezwaartermijn van zes weken overschreden. Bij brief van 6 februari 2012 is appellante verzocht om aan te geven of er bijzondere omstandigheden zijn die de overschrijding van de bezwaartermijn rechtvaardigen. Appellante heeft in een brief van 13 februari 2012 gesteld dat zij het bezwaarschrift op 4 januari 2012 heeft geschreven en op diezelfde dag in de brievenbus heeft gedaan van Post NL. Tijdens een gesprek met een klantmanager op 3 februari 2012 heeft appellante haar verontwaardiging geuit over het feit dat zij geen ontvangstbevestiging heeft gekregen. Toen bleek dat de commissie het betreffende bezwaarschrift niet had ontvangen. Appellante had een kopie van het bezwaarschrift bij zich en heeft dit aan de klantmanager overhandigd. Kennelijk is het bezwaarschrift door een fout van Post NL niet bij de commissie bezorgd, maar deze abnormale omstandigheid valt haar niet te verwijten. Zij heeft verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 1991, LJN ZC4736 en een uitspraak van de rechtbank Groningen, LJN AA9691, waarin is overwogen dat een omstandigheid van abnormale aard, welke te verwijten valt aan de postbezorgingsdienst, niet aan de belanghebbende kan worden toegerekend. Appellante heeft voorts gewezen op haar financiële situatie en zij heeft uiteengezet dat zij ten onrechte is aangemerkt als schoolverlater. De commissie heeft in wat appellante in haar brief van 13 februari 2012 heeft gesteld geen aanleiding gezien om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft daarbij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan de verklaring van haar moeder dat zij het bezwaarschrift samen met haar dochter op 4 januari 2012 in de brievenbus heeft gedeponeerd. Appellante verbleef op dat moment bij haar moeder omdat ze nog moest herstellen van een operatie wegens galstenen. Vanwege haar slechte gezondheidstoestand heeft haar moeder haar begeleid naar de brievenbus. De rechtbank heeft overwogen dat de verklaring van de moeder niet in bezwaar maar pas in de beroepsprocedure is overgelegd, dat aan een verklaring van een familielid over het algemeen minder waarde toekomt en dat de verklaring niet wordt ondersteund door ander bewijs. Appellante heeft aangevoerd dat het gegeven dat haar moeder haar heeft begeleid naar de brievenbus iets is geweest dat is boven gekomen in een bespreking tussen haar en haar gemachtigde ter voorbereiding op het instellen van beroep. Tevoren heeft zij zich het belang hiervan niet gerealiseerd. Het is dan ook ten onrechte dat de rechtbank vraagtekens heeft gezet bij dit verhaal. Het ondersteunend bewijs kan volgens appellante worden gevonden in de rapportage van A-Rea van 22 februari 2012. Uit deze rapportage blijkt dat bij appellante sprake is van een wankel evenwicht en een zeer beperkte belastbaarheid. De beperkingen liggen vooral op het vlak van sociaal en persoonlijk functioneren, aldus de arts. Subsidiair heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij door psychische omstandigheden niet de tegenwoordigheid van geest heeft gehad om het bezwaarschrift aangetekend te verzenden. Zij heeft daartoe een aantal stukken uit haar medische dossier overgelegd. Gezien die omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Niet in geschil is dat de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is overschreden. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van het na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.

De enkele stelling dat het stuk ter post is bezorgd in een geval waarin het bestuursorgaan stelt een geschrift niet te hebben ontvangen, is onvoldoende om aan te nemen dat het stuk is verzonden. Het is in dat geval aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij het geschrift ter post heeft bezorgd, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van getuigen. De rechtbank heeft overwogen dat aan de in beroep overgelegde verklaring van de moeder niet voldoende bewijskracht toekomt nu daarbij geen ander ondersteunend bewijs is overgelegd. In hoger beroep heeft appellante een schriftelijke verklaring van een vriendin overgelegd die haar heeft geholpen met het opstellen van het bezwaarschrift. Deze vriendin verklaart dat zij met zekerheid kan zeggen dat het bezwaarschrift binnen de bezwaartermijn is opgesteld. De exacte data dat zij appellante heeft geholpen weet zij niet meer. Zij verklaart verder dat appellante het bezwaarschrift bij haar moeder zou uitprinten en samen met haar moeder in de brievenbus zou doen. De dag na het posten van het bezwaarschrift heeft zij aan appellante gevraagd of het nog gelukt was om de brief te posten. Daarop heeft appellante geantwoord dat het gelukt was en dat zij samen met haar moeder de brief had gepost.

4.3.

Gezien de gedetailleerde verklaringen van de moeder, die ter zitting van de Raad als getuige is gehoord, en van de vriendin acht de Raad het niet onaannemelijk dat appellante samen met haar moeder een bezwaarschrift in de brievenbus heeft gedeponeerd. Uit deze verklaringen kan echter niet met zekerheid worden afgeleid wanneer dit precies is gebeurd. De door appellante genoemde rechtspraak, inzake een in de sfeer van het postbezorgingsbedrijf gelegen omstandigheid van abnormale aard, is hier niet van toepassing. In dit geval is immers - anders dan in de zaken die tot die rechtspraak hebben geleid - niet aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift binnen de bezwaartermijn ter post is bezorgd.

4.4.

Voorts kan ook het oordeel van de rechtbank worden onderschreven dat uit de door appellante overgelegde medische stukken niet is gebleken dat haar medische situatie in januari 2012 zodanig ernstig was dat zij niet in staat was om het bezwaarschrift aangetekend te laten verzenden. De in hoger beroep overgelegde aanvullende medische stukken brengen daarin geen verandering. Ter zitting van de Raad heeft appellante desgevraagd verklaard dat de afstand naar het postagentschap waar zij het bezwaarschrift aangetekend had kunnen versturen niet langer was dan de afstand naar de brievenbus. Ten slotte valt niet in te zien waarom appellante pas op 3 februari 2012 melding heeft gemaakt van het niet ontvangen hebben van een ontvangstbevestiging. Indien zij vóór 13 januari 2012 had geïnformeerd of het bezwaarschrift was ontvangen had zij nog tijdig een kopie van het bezwaarschrift aan de commissie kunnen zenden. De Raad ziet daarom, evenals de rechtbank, geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) P.J.M. Crombach

HD