Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
12-4612 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel; verlaging bijstand met 100% gedurende een maand. Duur van maatregel is verdubbeld. Niet meewerken aan verplichtingen tot arbeidsinschakeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4612 WWB

Datum uitspraak: 18 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 juli 2012, 12/286 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2014. Voor appellante is mr. Smit verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N.H. Wichard.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Appellante ontvangt sinds enkele jaren bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Voor haar gelden de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2.

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van

1 juni 2010 verlaagd met 10% op de grond dat zij op 4 mei 2010 zonder afmelding niet bij de bedrijfsarts is verschenen, een gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 21 van de Verordening werk en bijstand 2009 van de gemeente Almelo (verordening). Dit besluit is rechtens onaantastbaar geworden.

1.3.

Appellante heeft zich, na daartoe te zijn verwezen door haar coach van de afdeling [naam afdeling] van de gemeente Almelo, op 18 mei 2010 gemeld bij de bedrijfsarts in verband met een door haar gemelde knieoperatie. Zij heeft daar, volgens een rapportage van de bedrijfsarts van diezelfde datum, geen medewerking verleend aan een medisch onderzoek. De coach had eerder aan appellante meegedeeld dat zij kon starten met het opzetten van een eigen bedrijf als zij een ondernemingsplan kon laten zien. De coach heeft, volgens een notitie van haar hand van 27 mei 2010, geen ondernemingsplan van appellante gezien.

1.4.

Deze omstandigheden zijn voor de coach aanleiding geweest om appellante bij brief van 25 mei 2010 namens het college op te dragen om zich op 27 mei 2010 te melden bij het zogenoemde Atrium voor een onderzoek door de afdeling [naam afdeling] naar de mogelijkheden om haar kans om werk te vinden te vergroten. Het onderzoekstraject zou volgens een brief van

31 mei 2010 van [naam afdeling] starten met een werkstage van twee weken om te onderzoeken waar de kwaliteiten van appellante liggen binnen een werkomgeving. Daarna zou appellante worden overgeplaatst naar een andere afdeling binnen het leerbedrijf. In totaal zou het onderzoekstraject ten minste zes weken duren.

1.5.

Appellante is op 27 mei 2010 niet verschenen. In een telefoongesprek van 27 mei 2010 met haar coach heeft appellante meegedeeld dat zij niet zou meewerken aan het traject omdat het geen reguliere baan was. Het college heeft appellante uitgenodigd voor een gesprek op

8 juni 2010 om haar in de gelegenheid te stellen uitleg te geven over het feit dat zij niet heeft voldaan aan oproepen of afspraken in verband met het traject. Appellante is verschenen. Zij heeft gezegd dat ze niet wil starten in het traject omdat het geen reguliere baan is. Op verdere vragen heeft zij geen antwoord willen geven.

1.6.

Voormeld gedrag van appellante is voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 20 juli 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 januari 2012 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB te verlagen met 100% over de periode van 1 augustus 2010 tot en met 30 september 2010, op de grond dat appellante niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar haar mogelijkheden om aan het werk te gaan en/of een traject gericht op het vinden van werk of scholing te volgen en dat dit heeft geleid tot het voortijdig beƫindigen of het geen doorgang vinden van haar

re-integratietraject bij [naam afdeling]. Het college heeft de gedraging van appellante aangemerkt als te passen in de vierde categorie als bedoeld in artikel 21 van de verordening en vastgesteld dat dit ingevolge de artikelen 22 en 23 van de verordening een verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand dient mee te brengen. Het college heeft de duur van de maatregel met toepassing van artikel 23, eerste en derde lid, van de verordening verdubbeld op de grond dat aan appellante bij besluit van 1 juni 2010 reeds een maatregel was opgelegd en zij zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een gedraging uit een gelijke of hogere categorie.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd op de hierna te bespreken gronden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar verzuim om mee te werken aan een onderzoek naar haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, waartoe zij op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB verplicht was, haar is te verwijten. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij niet was gehouden om het aanbod om deel te nemen aan het onderzoek in het kader van het re-integratietraject te aanvaarden. Zij heeft in dit verband gesteld dat het aanbod geen maatwerk toonde, omdat het aanbod geen reguliere baan inhield, dan wel hiertoe direct zou leiden. Zij acht zichzelf bovendien in staat om zonder inmenging van het college betaald werk te vinden. Zij heeft er daarbij op gewezen dat de eerder door het college aangeboden trajecten niet tot betaald werk hebben geleid en dat haar niet duidelijk is gemaakt waartoe het onderhavige traject zou kunnen leiden.

4.2.1.

Vast staat dat appellante geen gehoor heeft gegeven aan de oproep om zich op 27 mei 2010 te melden bij het Atrium voor een onderzoek naar de mogelijkheden om het vinden van werk te bevorderen en dat zij in het gesprek op 8 juni 2010 heeft volhard in haar weigering deel te nemen aan het onderzoek bij Atrium. Niet in geschil is dat appellante daarmee heeft verzuimd gebruik te maken van een voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

4.2.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3331) is het niet aan de belanghebbende maar aan het college om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de belanghebbende is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel (arbeidsinschakeling) te bereiken. Wel is vereist - zoals appellante terecht heeft gesteld - dat het college maatwerk levert en de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden, afweging.

4.2.3.

Het college heeft een zorgvuldige, op de persoon van appellante toegesneden afweging gemaakt, alvorens appellante het onderhavige onderzoekstraject aan te bieden. Het college heeft - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - juist door het aangeboden traject willen onderzoeken welke re-integratievoorziening voor appellante, gelet op haar persoon en situatie, passend zou kunnen zijn. Het college heeft in het tijdsverloop sinds de laatst gerealiseerde voorziening en in het feit dat appellante knieklachten naar voren had gebracht redelijkerwijs aanleiding kunnen zien om door middel van het aangeboden traject opnieuw te onderzoeken hoe de re-integratiemogelijkheden van appellante zouden kunnen worden vergroot.

4.2.4.

Het college heeft voorts - anders dan appellante heeft betoogd - aan appellante bij brief van 31 mei 2010 in voldoende mate kenbaar gemaakt waaruit de voorziening concreet zou bestaan, waarom deze voorziening, gelet op de feiten en de omstandigheden van appellante, was aangewezen en welk tijdpad zou worden gevolgd. In dit verband is van belang dat na afloop van de tweede week van het traject, op basis van de bevindingen tot dan toe en in overleg met appellante, zou worden bepaald hoe het traject verder zou verlopen.

4.3.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat dit handelen van appellante op en na 27 mei 2010 in strijd met de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b van de WWB haar kan worden verweten.

4.4.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bestreden besluit niet berust op een evenwichtige belangenafweging. Zij heeft in dit verband gesteld dat het college geen rekening heeft gehouden met haar knieklachten en met het feit dat zij bezig was met het opzetten van een eigen onderneming.

4.5.1.

Het college heeft juist wel acht geslagen op de knieklachten van appellante en naar aanleiding daarvan appellante naar de bedrijfsarts verwezen om die klachten te laten onderzoeken. Aan dit onderzoek heeft appellante - naar zij niet heeft bestreden - geen volledige medewerking verleend, terwijl appellante geen steekhoudende reden had om niet mee te werken. De enkele omstandigheid dat de bedrijfsarts geen informatie bij de huisarts van appellante heeft opgevraagd doet niet af aan de aandacht die het college aan de knieklachten van appellante heeft besteed. Dit geldt temeer, nu appellante zelf geen medische gegevens heeft verstrekt. Voorts heeft het college door middel van het beoogde onderzoekstraject bij [naam afdeling] willen vaststellen welke werkzaamheden, rekening houdend met de beperkingen ten gevolge van haar knieklachten, voor appellante geschikt zouden kunnen worden geacht.

4.5.2.

Met de plannen van appellante om een eigen onderneming op te zetten heeft het college redelijkerwijs geen rekening hoeven houden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk bezig was met het opzetten van een onderneming toen zij in mei 2010 werd opgeroepen om zich voor het onderzoekstraject bij [naam afdeling] te melden. Appellante heeft aan het college geen concrete informatie verstrekt en geen stukken overgelegd, zoals een ondernemingsplan, waaruit zou kunnen blijken op welke wijze zij bezig was een onderneming op te zetten. Ook in de loop van de onderhavige procedure heeft appellante geen gegevens overgelegd, die aannemelijk maken dat zij indertijd was begonnen haar voornemen om een onderneming te starten te realiseren. Daarbij wordt nog aangetekend dat het onderzoekstraject in beginsel niet langer dan zes weken duurde en niet meer dan vier dagdelen (zestien uur) per week in beslag nam.

4.6.

Uit 4.5.1 en 4.5.2 volgt dat niet kan worden gezegd dat het bestreden besluit niet berust op een evenwichtige belangenafweging.

4.7.

Wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD