Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:462

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
13-4899 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4899 WWB

Datum uitspraak: 18 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juli 2013, 12/4851 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2014. Appellant is met bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Als gevolg van een bedrijfsongeval is de rechterhand van appellant verbrijzeld. Nadat hij in 2011 nog heeft geprobeerd aangepast werk te verrichten raakten zijn linkerhand en linkerarm overbelast. Appellant is voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt sinds 1 mei 2012 een loonaanvullingsuitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. In aanvulling op de loonaanvullingsuitkering ontvangt appellant sinds

15 mei 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 8 juni 2012 heeft het college appellant vanwege zijn lichamelijke klachten tot en met 6 juni 2013 ontheffing verleend van de in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde verplichtingen. Tegen dit besluit heeft appellant op 15 augustus 2012 bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 28 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat het bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is binnengekomen en dat de klachten van appellant niet van dien aard zijn dat hij niet in staat was om binnen die termijn bezwaar te maken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is met het college van oordeel dat de door appellant aangevoerde reden, te weten dat hij door zijn ziekte niet in staat was tijdig bezwaar te maken, niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding kan leiden. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep op de arresten van de Hoge Raad van 30 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1720 en 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4387 in dit geval niet opgaat, omdat het in die arresten ging om vlak voor het einde van de bezwaartermijn opgekomen ziekte. Appellant heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat hij ziek is geworden en dat hij als gevolg daarvan niet in staat was tijdig een bezwaarschrift in te dienen.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant stelt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat hij te maken heeft met gezondheidsklachten. Het college was op de hoogte van de gezondheidsproblematiek, gelet op het feit dat appellant om die reden is ontheven van zijn arbeidsverplichtingen. Het oordeel van de rechtbank dat appellant zou hebben moeten onderbouwen dat hij ziek was, acht hij dan ook onbegrijpelijk. Appellant wijst in dit kader wederom op de arresten van de Hoge Raad.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden van het hoger beroep zijn in essentie gelijk aan de gronden die appellant in de beroepsfase naar voren heeft gebracht. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. Daarbij is van belang dat de rechtbank terecht de bewijslast met betrekking tot zijn gezondheidsproblematiek bij appellant heeft gelegd.

4.2.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M. Sahin

HD