Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
12-2349 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Inkomsten zonder duidelijke verklaringen. Overschrijding vermogensgrens. Verzwegen bankrekeningen. Maatregel. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2349 WWB, 12/2350 WWB

Datum uitspraak:18 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

14 maart 2012, 11/8922 en 11/8923 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van den Buijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op 29 november 2013 heeft mr. T. Scholtus, advocaat, zich in plaats van mr. Van den Buijs als gemachtigde gesteld en een aanvullend hoger beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2013, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Scholtus. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Boogaards.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellante ontving sinds 3 oktober 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij haar aanvraag heeft zij doorgeven te beschikken over een bankrekening met nummer [nummer] (de bekende rekening) en een tweetal spaarrekeningen ten behoeve van haar kinderen. In verband met psychische problematiek heeft appellante vrijstelling verkregen van de arbeidsverplichtingen.

1.2.

Uit onderzoek in het kader van het project herijking Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst kwam naar voren dat appellante bij haar aanvraag om bijstand in 2005 geen melding had gemaakt van een tweetal andere bankrekeningen. De ene rekening, met nummer [nummer 2.] (de ene rekening), stond alleen op naam van appellante, de andere rekening, met nummer [nummer 3.], (de en/of-rekening) stond op naam van zowel appellante als haar broer

[naam broer].

1.3.

Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente ’s-Gravenhage (ABO) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de ABO dossieronderzoek gedaan, appellante op 3 februari 2010 en op 10 februari 2010 gehoord, bij appellante afschriften van de ene rekening en de en/of-rekening opgevraagd, alsmede een schriftelijke verklaring over diverse opmerkelijke transacties, zoals kasstortingen en overboekingen over en weer tussen de bankrekeningen onderling, en op 18 november 2010 bij appellante een huisbezoek afgelegd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 23 november 2010. Vervolgens heeft de ABO appellante op 18 februari 2011 geconfronteerd met de resultaten van het onderzoek.

1.4.

Voor het college zijn de onderzoeksbevindingen aanleiding geweest om bij besluit van

13 mei 2011 de bijstand over de periode van 3 oktober 2005 tot en met 26 maart 2010 deels te herzien en deels in te trekken en de kosten van de over die periode ten onrechte verleende bijstand tot een bedrag van € 51.829,61 van appellante terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante van 3 oktober 2005 tot en met 31 december 2009 blijkens kasstortingen inkomsten ontving, waarvoor geen duidelijke verklaringen zijn gegeven en waardoor te veel aan bijstand is verleend. Voorts is het college tot de conclusie gekomen dat het vermogen van appellante van 1 mei 2007 tot en met 26 maart 2010 de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen overschreed.

1.5.

Bij besluit van 17 oktober 2011 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 13 mei 2011 ongegrond verklaard.

1.6.

Het college heeft de bijstand van appellante bij besluit van 9 juni 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 oktober 2011 (bestreden besluit 2) bij wijze van maatregel met ingang van 1 juli 2011 verlaagd met 50% van de voor haar geldende bijstandsnorm voor de duur van twee maanden. Aan de maatregel heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting bij haar aanvraag om bijstand in 2005 het tweetal bankrekeningen niet heeft gemeld en dat daardoor ten onrechte bijstand is verleend.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat haar in verband met haar psychische gesteldheid niet te verwijten valt dat zij de twee bankrekeningen niet heeft gemeld bij het college. Bovendien heeft appellante niet feitelijk beschikt over de en/of-rekening. Deze rekening was aanvankelijk geopend ten behoeve van appellantes minderjarige zus. Nadat haar zus naar België was vertrokken, is de en/of-rekening mede op naam van haar, toen nog minderjarige, broer komen te staan. De bankpost ging allemaal naar haar broer in Breda. De ene rekening was een boodschappenrekening, waarop zij van de bekende rekening geld stortte en dat vervolgens opnam. De maatregel kan niet in stand blijven vanwege het feit dat het appellante niet kan worden verweten dat zij de ene rekening en de en/of-rekening niet bij het college heeft gemeld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gedingstukken bieden een toereikende grondslag voor het oordeel dat appellante door de ene rekening en de en/of-rekening niet bij het college te melden, de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het gaat hier om financiële gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Gelet op het feit dat zij bij haar aanvraag in 2005 wel de bekende rekening en de twee spaarrekeningen van de kinderen heeft opgegeven, mag worden aangenomen dat appellante, ondanks haar psychische gesteldheid, moet hebben kunnen beseffen dat zij ook de ene rekening, die op haar naam stond, bij het college moest melden. Dit geldt ook voor de en/of-rekening, nu ook deze rekening (mede) op haar naam stond. De voorhanden gedingstukken, waaronder de rapportage van PsyQ van 2 november 2011, geven geen aanleiding voor de conclusie dat de psychische klachten van appellante van dien aard waren dat zij niet in staat kon worden geacht in 2005 bij het college opgave te doen van alle op haar naam staande bankrekeningen.

4.2.

Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Dit is niet anders bij een zogeheten en/of-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet kon beschikken over het tegoed op de en/of-rekening. De bankafschriften laten regelmatige pintransacties in ’s-Gravenhage zien, terwijl de broer van appellante in Breda woonde. De schriftelijke verklaring van 26 mei 2010 van de broer van appellante dat zijn vriendin gebruik maakte van de en/of-rekening is niet meer dan een stelling, die wat betreft tijdstippen en omvang niet concreet is gemaakt en niet is onderbouwd. Bovendien laat deze stelling onverlet dat moet worden aangenomen dat appellante redelijkerwijs kon beschikken over de en/of-rekening, omdat zij als mederekeninghouder daartoe gerechtigd was en zij zich tot de betreffende bank kon wenden om te beschikken over het tegoed op deze rekening. Ook de stelling van appellante dat er maar één bankpasje was en dat haar broer dat in zijn bezit had, doet, daargelaten of de gedingstukken voor deze stelling voldoende grondslag bieden, niet af aan het feit dat appellante altijd zelf een bankpasje kon aanvragen. Met betrekking tot de ene rekening heeft appellante erkend dat zij over het tegoed op die rekening kon beschikken.

4.3.

Anders dan appellante heeft betoogd, is niet afdoende verklaard wat de herkomst was van de op de ene rekening en de en/of-rekening gestorte en overgeboekte bedragen. Met name de relatie tussen de kasstortingen enerzijds en de opnames anderzijds is niet duidelijk geworden. Dit betekent dat die kasstortingen en overgeboekte bedragen moeten worden aangemerkt als inkomen van appellante in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB over de maanden waarin de stortingen en overboekingen hebben plaatsgevonden.

4.4.

Ten slotte bestaat geen aanleiding om van terugvordering af te zien dan wel de terugvordering te matigen. Voor zover appellante een beroep heeft gedaan op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie gaat dit niet op, omdat voor toepassing daarvan in WWB-zaken in beginsel geen plaats is, indien, zoals in dit geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of niet volledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie. Voor zover moet worden aangenomen dat het college op 1 januari 2009 al bekend was met de ene rekening en de en/of-rekening en dus tien maanden nodig heeft gehad om onderzoek te doen, kan niet gezegd worden dat de besluitvorming van het college onnodig traag heeft plaatsgevonden en de terugvordering jegens appellante daardoor onnodig heeft laten oplopen.

4.5.

Uit 4.1 vloeit voort dat het appellante valt te verwijten dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dit betekent dat het college op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellante overeenkomstig de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente ’s-Gravenhage (maatregelverordening) te verlagen. Appellante heeft niet bestreden dat de hoogte en de duur van de opgelegde verlaging in overeenstemming zijn met de maatregelverordening.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD