Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
12-1904 WIJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum intrekking WIJ-inkomensvoorziening. Hennepkwekerij. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1904 WIJ

Datum uitspraak: 18 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 20 februari 2012, 11/969 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dalen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 10 november 2009 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ), vanaf 12 juli 2010 verhoogd met een toeslag in verband met het feit dat zij sinds die datum beschikte over zelfstandige woonruimte, te weten een bovenwoning op het adres [adres 1.] te [woonplaats] (woning).

1.2.

Op 24 november 2010 heeft de politie Groningen (politie) bij een brand op de zolderverdieping van de woning een in werking zijnde hennepkwekerij met 201 hennepplanten aangetroffen. De politie heeft appellante in verband daarmee op 24 november 2010 verhoord. De hennepkwekerij is op diezelfde dag ontmanteld. Appellante had het college niet geïnformeerd over de hennepkwekerij in de woning.

1.3.

De aanwezigheid van de hennepkwekerij in de woning van appellante is voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 28 april 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

4 augustus 2011 (bestreden besluit), het recht op inkomensvoorziening van appellante in te trekken over de periode van 12 augustus 2010 tot en met 24 november 2010. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante in strijd met de ingevolge artikel 44 van de WIJ op haar rustende inlichtingenverplichting geen mededeling aan het college heeft gedaan van de hennepkwekerij, waardoor het recht op inkomensvoorziening over die periode niet kan worden vastgesteld, en dat appellante niet heeft aangetoond dat zij geen inkomsten uit de kwekerij heeft ontvangen. Het college heeft hierbij tevens de over voormelde periode ten onrechte verstrekte inkomensvoorziening met toepassing van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a van de WIJ van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 2.551,65. Bij dit besluit heeft het college voorts met toepassing van artikel 41, eerste lid van de WIJ en artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c van de Maatregelverordening WIJ de aan appellante toegekende inkomensvoorziening over de maand mei 2011 verlaagd met 50%. Hieraan ligt de hiervoor vermelde schending van de inlichtingenverplichting ten grondslag.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich, zoals toegelicht ter zitting, in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze ziet op de intrekking en de terugvordering van de inkomensvoorziening. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de hennepkwekerij niet eerder dan op 1 oktober 2010 is gestart en dat de terugvordering haar teveel wordt, omdat zij twee kinderen heeft en ook nog andere schulden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat op 24 november 2010 in de woning van appellante een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen, die gelet op de omvang ervan als professionele kwekerij kan worden bestempeld.

4.2.

Tevens staat vast dat appellante het opzetten en de exploitatie van de kwekerij, althans het bieden van ruimte daartoe in haar bovenwoning niet, bij het college heeft gemeld. Hiermee is gegeven dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.3.

Niet in geschil is dat het recht op inkomensvoorziening door de schending van de inlichtingenverplichting door appellante niet was vast te stellen en dat dit ertoe heeft geleid dat het college ten onrechte inkomensvoorziening aan appellante heeft verstrekt.

4.4.

Het geschil spitst zich in eerste instantie toe op de vraag met ingang van welke datum appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.5.

Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 22 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1105) worden zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en waarvan hij het betreffende bestuursorgaan onverwijld mededeling moet doen, ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven. Hieronder dient ook begrepen te worden het beschikbaar stellen van een deel van de woning ten behoeve van deze activiteiten. Dezelfde verplichting om van deze activiteiten melding te maken geldt voor de betrokkene die aanspraak maakt op een inkomensvoorziening ingevolge de WIJ.

4.6.

Het besluit tot intrekking van een inkomensvoorziening is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het college is om de nodige kennis over de van belang zijnde feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, en met ingang van welke datum, in beginsel op het college rust.

4.7.

Het college heeft het standpunt dat de hennepkwekerij, althans het opzetten daarvan, op 12 augustus 2010 is gestart gegrond op de inschatting van de politie dat de hennepplanten ongeveer zes weken oud waren op het moment van aantreffen en op het proces-verbaal van verhoor van appellante van 24 november 2010. Dit proces-verbaal bevat uiteenlopende verklaringen van appellante met betrekking tot het aanvangstijdstip van de hennepkwekerij, die niet met elkaar zijn te rijmen. Zo heeft zij verklaard “Ik ben eind augustus benaderd voor een hennepkwekerij” en “De personen zijn vanaf augustus bezig met de kwekerij” en “Vanaf 12 augustus woon ik in de woning. Vlak daarna zijn ze begonnen met bouwen. Wanneer de plantjes neergezet zijn weet ik niet. Het kan best zijn dat dit begin oktober was”.

4.8.

Uit deze verklaringen volgt niet voldoende exact wanneer het opzetten van de hennepkwekerij dan wel het daartoe gelegenheid geven een aanvang heeft genomen, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat de planten op het moment van aantreffen zes weken oud waren. Het college heeft appellante niet nader gehoord ten einde meer helderheid te verkrijgen over het aanvangstijdstip van de hennepkwekerij en evenmin anderszins aanvullend onderzoek hiernaar gedaan. De conclusie dat het aanvangstijdstip op 12 augustus 2010 moet worden gesteld en appellante dus de inlichtingenverplichting vanaf 12 augustus 2010 heeft geschonden mist dan ook een deugdelijke grond.

4.9.

De omstandigheid dat appellante op 17 augustus 2010 aan het college te kennen heeft gegeven dat zij per direct een openstaande schuld aan het college met € 200,- per maand wilde aflossen leidt niet tot een ander oordeel. Appellante heeft ter zitting een verklaring voor deze aflossingswens gegeven - te weten dat zij wilde proberen zoveel mogelijk in 2010 af te lossen om brutering van het aflossingsbedrag te voorkomen - die in beginsel niet onaannemelijk is.

4.10.

Ter zitting van de Raad heeft appellante bevestigd dat zij midden augustus 2010 naar de woning is verhuisd. Zij heeft verklaard dat zij eind augustus 2010 ermee heeft ingestemd dat op haar zolder een hennepkwekerij zou worden opgezet. Zij heeft daaraan toegevoegd dat zij toen de sleutel heeft afgegeven en direct daarna enkele weken is weggeweest, dat na haar terugkeer de personen die haar voor de hennepkwekerij hadden benaderd nog enkele malen op de zolder zijn geweest en dat zij vanaf 1 oktober 2010 niet meer op de zolder mocht komen. Appellante heeft ter zitting weersproken dat de betreffende personen al direct na haar verhuizing waren begonnen met bouwen.

4.11.

Op grond van wat onder 4.10 is weergegeven dient ervan te worden uitgegaan dat appellante eind augustus 2010, redelijkerwijs te stellen op 30 augustus 2010, met de afgifte van de sleutel haar zolder beschikbaar heeft gesteld voor het opzetten en exploiteren van een hennepkwekerij, wat aangemerkt moet worden als op geld waardeerbare activiteiten, waarvan zij ten onrechte geen mededeling aan het college heeft gedaan.

4.12.

Dat betekent dat het college op grond van artikel 40, derde lid, aanhef en onder b, van de WIJ bevoegd was de inkomensvoorziening in te trekken over de periode van 30 augustus 2010 tot en met 24 november 2010. De wijze waarop het college van de intrekkingsbevoegdheid gebruikt maakt heeft appellante niet bestreden.

4.13.

Deze intrekking brengt mee dat het college op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WIJ bevoegd is om de ten onrechte verleende inkomensvoorziening over laatstgenoemde periode van appellante terug te vorderen. Wat appellante heeft aangevoerd over de terugvordering leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van de terugvorderingsbevoegdheid over deze periode gebruik kan maken.

4.14.

Wat onder 4.5 tot en met 4.13 is overwogen betekent dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en evenmin op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt.

4.15.

De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het ziet op de intrekking over de periode van 12 augustus 2010 tot en met 29 augustus 2010 en op de terugvordering wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens ziet de Raad aanleiding om gedeeltelijk zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 28 april 2011 te herroepen voor zover daarbij de inkomensvoorziening is ingetrokken over de periode van 12 augustus 2010 tot en met 29 augustus 2010 en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit met betrekking tot de intrekking. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om voor de terugvordering zelf in de zaak te voorzien. Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren, ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot - volledige - finale geschilbeslechting.

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 2.922,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de intrekking en de

terugvordering;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 4 augustus 2011, voor zover dit ziet op de intrekking over de

periode van 12 augustus 2010 tot en met 29 augustus 2010 en op de terugvordering;

- herroept het besluit van 28 april 2011, voor zover dit ziet op de intrekking over de periode

van 12 augustus 2010 tot en met 29 augustus 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in

de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 4 augustus 2011 met

betrekking tot de intrekking;

- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen de terugvordering

met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD