Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
12-3054 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Geen melding gemaakt van hennepkwekerij en de daaruit verworven inkomsten. Schending inlichtingenverplichting. Afwijzing nieuwe aanvraag. Appellant heeft geen deugdelijke verklaringen gegeven over de besteding van de verdiensten uit de hennepkwekerij en heeft niet aangetoond dat hij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/90
RSV 2014/68

Uitspraak

12/3054 WWB

Datum uitspraak: 18 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 april 2012, 11/1087 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.C. van Heerd, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2013. Namens appellant is verschenen mr. Van Heerd. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 18 januari 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 23 september 2010 heeft de politie in de woning van appellant een hennepkwekerij aangetroffen met 163 hennepplanten verdeeld over twee slaapkamers en 36 hennepplanten in de tuin. Appellant heeft op 23 september 2010 tegenover de politie onder meer verklaard dat de planten die binnen zijn aangetroffen zijn eerste kweek waren dat hij alleen in zijn tuin eenmaal heeft geoogst en dat hij daar € 1.500,- voor heeft ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft[naam brigadier], brigadier van politie bij de politieregio Limburg-Noord, basiseenheid Venlo-Centrum, onder verwijzing naar het rapport “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht” van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van april 2005, een onderzoek ingesteld naar en een berekening gemaakt van het door appellant wederrechtelijk verkregen voordeel. [naam brigadier] heeft op grond van de door het energiebedrijf ter beschikking gestelde informatie, de dikte van de aangetroffen laag stof op de assimilatielampen, de stoffilter en de aanwezige elektra, de kalkaanslag op het zwarte zeil onder de bloempotten, het hennepafval op de grond en in zakken, het oude aardeafval en de aangetroffen gedroogde hennep, onder meer op de aanwezige droogrekjes, geconcludeerd dat voorafgaand aan de ontdekking van de hennepkwekerij, drie oogsten van 163 hennepplanten moeten hebben plaatsgevonden. Verder heeft [naam brigadier] berekend dat dit afgerond 4,9 kg hennep per oogst heeft opgeleverd, uitgaande van een opbrengst van 30 gram hennep per plant, en dat, uitgaande van een opbrengst van € 3.306,- per kg hennep en met aftrek van de kweekkosten, het wederrechtelijk verkregen voordeel van appellant € 45.996,60 bedraagt. De bevindingen van het onderzoek naar en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zijn neergelegd in een proces-verbaal van 9 november 2010.

1.3.

In de bevindingen van het proces-verbaal van 9 november 2010 heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 15 februari 2011 de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2010 in te trekken.

1.4.

Op 3 maart 2011 heeft appellant opnieuw algemene bijstand aangevraagd. Naar aanleiding van deze bijstandsaanvraag heeft het college appellant bij brief van 5 april 2011 verzocht nadere informatie te verstrekken, waaronder een schriftelijke verklaring over de besteding van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 45.996,60 uit de hennepkwekerij.

1.5.

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft het college de aanvraag van 3 maart 2011 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan het bij brief van 5 april 2011 gedane verzoek.

1.6.

Bij besluit van 27 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2011 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 10 mei 2011 gegrond verklaard en vervolgens de aanvraag van 3 maart 2011 inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Aan de intrekking van de bijstand heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant, door geen melding te maken van de hennepkwekerij en de daaruit verworven inkomsten, de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aan het besluit tot afwijzing van de aanvraag van 3 maart 2011 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen deugdelijke verklaringen heeft gegeven over de besteding van de verdiensten uit de hennepkwekerij en aldus niet heeft aangetoond dat hij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

4.1.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om bij de voorbereiding van dat besluit de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking voldaan is, in beginsel op het college rust.

4.2.

Het college heeft de intrekking van de bijstand niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld moet worden de periode van 1 december 2010 tot en met 15 februari 2011.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de woning van appellant een hennepkwekerij is aangetroffen en dat appellant een bedrag van € 1.500,- aan inkomsten uit hennepteelt heeft verworven. Door geen melding te maken van deze - gelet op de omvang van de kwekerij onmiskenbaar op geld waardeerbare - activiteiten en de daaruit verworven inkomsten heeft appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de desbetreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.5.

Appellant is daarin niet geslaagd. Hij heeft immers geen inzicht gegeven in de inkomsten en uitgaven met betrekking tot de door hem geëxploiteerde hennepkwekerij. Voor zover appellant betoogt dat hij geen inzicht kan geven in de inkomsten uit de hennepkwekerij, omdat hij, afgezien van de oogst waarvoor hij € 1.500,- heeft ontvangen, nimmer heeft geoogst en er dus ook geen inkomsten zijn geweest, faalt dit betoog. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat de onder 1.2 weergegeven gegevens uit het proces-verbaal van

9 november 2010 een voldoende feitelijke grondslag bieden om aan te nemen dat er voorafgaand aan de ontmanteling van de hennepkwekerij op 23 september 2010 drie oogsten zijn geweest waaruit appellant inkomsten heeft genoten. Appellant heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze aanname onjuist is.

4.6.

Het college is er verder niet ten onrechte vanuit gegaan dat een opbrengst uit hennepoogsten mag worden verondersteld die gelijk is aan de opbrengst zoals in het proces-verbaal van de politie van 9 november 2010 is berekend. In dat proces-verbaal is op inzichtelijke wijze aangegeven hoe en aan de hand van welke maatstaven het wederrechtelijk verkregen voordeel is bepaald, welke berekeningswijze door appellant op zichzelf niet is betwist.

4.7.

Nu appellant niet aan de hand van een deugdelijke administratie of boekhouding inzicht heeft gegeven in de tot 23 september 2010 verworven inkomsten en de besteding ervan en hij evenmin inzicht heeft verschaft in de besteding van deze inkomsten dan wel de vorming van vermogen in de periode gelegen tussen de beëindiging van de hennepkwekerij op

23 september 2010 en het intrekkingsbesluit, heeft het college kunnen oordelen dat over de te beoordelen periode het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

4.8.

Appellant heeft aangevoerd, onder verwijzing naar een door het openbaar ministerie bij de rechtbank aanhangig gemaakte ontnemingsvordering ter grootte van het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel, dat van inkomsten dan wel vermogensvorming geen sprake kan zijn, omdat de beweerde inkomsten van appellant wegvallen tegen de vordering die het openbaar ministerie op appellant krijgt. Deze beroepsgrond slaagt niet reeds omdat, zoals door appellant ter zitting is erkend, de rechtbank geen uitspraak heeft gedaan naar aanleiding van de ontnemingsvordering.

De afwijzing van de aanvraag van 3 maart 2011

4.9.

In dit geval, waarin de aanvraag om bijstand pas bij de beslissing op bezwaar inhoudelijk is beoordeeld, loopt de te beoordelen periode van 3 maart 2011 tot en met 27 juli 2011.

4.10.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie, zonodig (ook) over de periode direct voorafgaande aan de aanvraag. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de aanvrager recht op bijstand heeft. Indien periodieke bijstand is ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.11.

Gelet daarop, en mede in aanmerking genomen dat het hier gaat om een aanvraag om bijstand, die bovendien is ingediend binnen korte tijd na de beëindiging van de bijstand, heeft het college terecht van appellant verlangd dat hij eerst opening van zaken zou geven over de exploitatie van hennepkwekerij en inzicht zou verschaffen in de daarmee verworven inkomsten en in de besteding daarvan dan wel de vorming van vermogen, waarna pas zou kunnen worden bepaald of en in hoeverre appellant verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.

4.12.

Appellant heeft hieraan niet voldaan, aangezien hij op geen enkele wijze inzicht heeft verschaft in de financiële voordelen die uit de hennepteelt zijn behaald, over de besteding daarvan dan wel de vorming van vermogen. Voor de stellingen van appellant dat hij geen inkomsten uit hennepteelt heeft gehad en dat, gelet op de door het openbaar ministerie bij de strafrechter ingediende ontnemingsvordering, van inkomsten dan wel vermogensvorming geen sprake kan zijn, geldt mutatis mutandis hetgeen onder 4.5, onderscheidenlijk 4.8, is overwogen. Het voorgaande brengt mee dat appellant niet heeft aangetoond dat hij ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, zodat zijn aanvraag om bijstand terecht is afgewezen.

4.13.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet en de aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin

HD