Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
13-2337 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering ANW-uitkering. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2337 ANW

Datum uitspraak: 18 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 maart 2013, 12/3799 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.W.C. Bonnet, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met zaak 13/2336 plaatsgehad op 8 januari 2014. Voor appellante is verschenen mr. Bonnet. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door M.S.A. Smith en mr. G.J. Oudenes. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving na het overlijden van haar echtgenoot met ingang van februari 2009 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). In die periode stond appellante ingeschreven op het adres [adres 1.] te [woonplaats] en stond [L.] [L.]) ingeschreven op het adres[adres 2.] te[woonplaats]. Appellante heeft samen met [L.] een kind, geboren [in] 2011.

1.2.

Naar aanleiding van anonieme meldingen dat appellante op haar adres een gezamenlijke huishouding voert met [L.], heeft de sociale recherche van de Svb (sociale recherche Svb) een nader onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. Dit onderzoek is gecombineerd met een onderzoek van het samenwerkingsverband Sociale Recherche Flevoland (sociale recherche Flevoland) naar de door het college van burgemeester en wethouders van Almere (college) aan [L.] verleende bijstand. In het kader van dit gecombineerde onderzoek is dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen en zijn appellante en [L.] verhoord. De bevindingen zijn neergelegd in een Handhavingsrapportage van 24 november 2011 van de sociale recherche Svb en een proces-verbaal van de sociale recherche Flevoland van 1 december 2011.

1.3.

Op grond van de resultaten van beide onderzoeken heeft de Svb bij besluit van 19 januari 2012 de Anw-uitkering van appellante met ingang van 1 juni 2011 ingetrokken en bij besluit van eveneens 19 januari 2012 de over de periode van 1 juni 2011 tot en met 31 januari 2012 betaalde Anw-uitkering tot een bedrag van € 8.847,87 van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 6 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft de Svb de tegen de besluiten van 19 januari 2012 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante sinds 23 mei 2011 een gezamenlijke huishouding met [L.] heeft gevoerd en daardoor met ingang van 1 juni 2011 geen recht meer had op een Anw-uitkering.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op grond van de gedingstukken, waarvan in het bijzonder de door appellante en [L.] afgelegde verklaringen, geoordeeld dat appellante en [L.] in de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze verklaring onder ontoelaatbare druk is afgelegd, onjuist is of om een andere reden buiten beschouwing moet blijven. Niet in geding is dat appellante en [L.] samen een dochter hebben die door [L.] is erkend. Gelet hierop was er in de periode in geding sprake van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Anw. Doordat appellante hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het college, heeft zij de inlichtingenverplichting geschonden waardoor zij ten onrechte, dan wel een te hoog bedrag aan, Anw-uitkering heeft ontvangen. De Anw-uitkering van appellante is terecht met ingang van 1 juni 2011 beëindigd en de ten onrechte betaalde

Anw-uitkering is terecht teruggevorderd. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep, evenals in beroep, op het standpunt gesteld dat zij geen gezamenlijke huishouding met [L.] heeft gevoerd maar dat sprake was van een

lat-relatie. De rechtbank heeft ten onrechte groot gewicht toegekend aan de door haar en [L.] onder druk tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen. Daarnaast is sprake van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Appellante heeft grote schulden en inmiddels draagt zij als alleenstaande moeder de zorg voor vier kinderen. Haar slechte geestelijke en lichamelijke gezondheid, mede als gevolg van de terugvordering, zijn ook van invloed op het welzijn van haar kinderen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellante en [L.] in de periode in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en maakt die overwegingen tot de zijne. In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. Hij voegt daar nog het volgende aan toe.

4.2.

Ook in hoger beroep heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat een uitzondering moet worden gemaakt op het algemene uitgangspunt dat een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring mag worden gehouden. Ten aanzien van de periode in geding stemmen de door [L.] en appellante op 19 oktober 2011 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen met elkaar overeen in die zin dat zij beiden hebben verklaard dat [L.] sinds de geboorte van hun dochter[in] 2011 het merendeel van de week verbleef in de woning van appellante. Dat appellante tijdens het verhoor enige druk heeft gevoeld is aannemelijk, maar er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat tijdens het verhoor een grotere druk is uitgeoefend dan tijdens een dergelijk gesprek als gebruikelijk en nog aanvaardbaar is te beschouwen. Bovendien heeft zij desgevraagd verklaard dat zij tijdens het verhoor goed is behandeld, haar verklaring in vrijheid heeft kunnen afleggen, zich niet onder druk gezet heeft gevoeld, haar verklaring heeft doorgelezen en er wijzigingen in heeft kunnen aanbrengen indien zij dat nodig vond. Vervolgens heeft zij het proces-verbaal per pagina ondertekend. Ook [L.] heeft zijn verklaring ondertekend. Appellante heeft geen klacht ingediend over de wijze waarop zij door de verhorende sociaal rechercheurs is bejegend.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat appellante en [L.] in de periode in geding niet een lat-relatie hadden, maar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de zin van artikel 3, derde lid, van de Anw. Dat appellante en [L.] niet de bedoeling hadden om samen te wonen, is niet relevant. Immers, zoals de Raad reeds vele malen heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 april 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8495) dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid. De motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie is niet van belang. Hieruit vloeit voort dat de Svb de Anw-uitkering van appellante terecht met ingang van 1 juni 2011 heeft ingetrokken.

4.4.

Uit 4.3 vloeit voort dat de Svb bevoegd was de over de periode van 1 juni 2011 tot en met 31 januari 2012 betaalde Anw-uitkering van appellante terug te vorderen. De door appellante genoemde omstandigheden zijn geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft appellant als schuldenaar de bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als opgenomen in de artikelen 475b tot en met 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering van invloed is geweest op haar geestelijke en lichamelijke gezondheid.

4.5.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD