Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4474

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
12-03-2015
Zaaknummer
13-3426 AW-G
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad oordeelt dat de feiten slechts in beperkte mate plichtsverzuim opleveren; namelijk het onvolledig afleggen van verantwoording aan de leidinggevende over het toegepaste geweld. Indien het gehele vaststaande plichtsverzuim en de relevante omstandigheden tezamen worden gewogen, is de straf van onvoorwaardelijk ontslag te zwaar. Ten overvloede wordt overwogen dat voorwaardelijk ontslag geen onevenredige bestraffing zou vormen. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3426 AW-G

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2013, 12/5220 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. A. Rhijnsburger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rhijnsburger. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. van Veeren, mr. A. Hilkhuijsen en L. Wierts.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 2005 werkzaam bij de politieregio [regio]. Sinds 2010 was hij als hoofdagent werkzaam bij de directe hulpverlening, District Centrum.

1.2.

In de nacht van 12 op 13 september 2011 was appellant samen met twee collega’s betrokken bij de achtervolging van twee mannen die fietsen aan het vernielen waren in de fietsenstalling op het [adres]. Een van de verdachten, M, werd in de [straat] door een collega aangehouden en geboeid. Kort na die aanhouding voegde appellant, die vergeefs de andere verdachte had achtervolgd, zich bij deze collega en nam de geboeide M van zijn collega over. Daarbij heeft appellant tegen M geweld gebruikt. Van de gang van zaken rond en na de aanhouding zijn camerabeelden beschikbaar.

1.3.

Appellant heeft op 13 september 2011 bij zijn leidinggevende gemeld dat hij geweld tegen M had gebruikt. De leidinggevende heeft appellant opgedragen het toegepaste geweld te verwerken in een mutatie in de politieadministratie. Appellant heeft geen mutatie opgemaakt. Wel heeft hij op 13 september 2011 een proces-verbaal van bevindingen opgesteld. De leidinggevende heeft op 16 september 2011 kennis genomen van de camerabeelden en, na een gesprek met appellant over die beelden, op 28 september 2011 een meldingsformulier geweldsaanwending opgesteld. Daarop heeft de districtschef besloten tot een strafrechtelijk en disciplinair onderzoek. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek heeft de korpschef op 20 maart 2012 een voornemen tot strafontslag kenbaar gemaakt, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven.

1.4.

Bij besluit van 22 mei 2012, gehandhaafd bij besluit van 23 oktober 2012 (bestreden besluit), heeft de korpschef appellant met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Aan het strafontslag is als plichtsverzuim ten grondslag gelegd dat appellant: 1. zonder noodzaak fors fysiek geweld heeft gebruikt jegens een geboeide arrestant die onder controle was; 2. niet correct dan wel onvolledig verantwoording heeft afgelegd jegens zijn leidinggevende over het door hem in de richting van de verdachte toegepaste geweld; en 3. een ambtsedig proces-verbaal niet naar waarheid heeft opgemaakt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de handhaving van het strafontslag ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant betoogd dat het plichtsverzuim minder ernstig was dan de korpschef en de rechtbank hebben aangenomen. Met het toegepaste geweld is geen letsel toegebracht. Het oogmerk was alleen om de arrestant, die verbaal zeer agressief was en zich voelbaar zou gaan verzetten, rustig te krijgen en onder controle te houden. Appellant erkent dat hij met minder geweld had kunnen volstaan. Daarbij dient wel in aanmerking te worden genomen dat appellant na een achtervolging aan kwam rennen en niet de rust zelve was. Voor deze eerste fout, berustend op een verkeerde inschatting van de situatie, mocht appellant niet direct ontslagen worden. Gewezen is op enkele geweldsincidenten waarbij andere collega’s betrokken waren, en waarbij niet disciplinair is opgetreden, en op het feit dat de korpschef appellant zeer lange tijd heeft door laten werken na bekend worden van het incident. Wat het onjuist rapporteren betreft is betoogd dat appellant niet de intentie heeft gehad een onjuiste voorstelling van zaken te geven. Daarbij is gewezen op het vonnis van 29 juli 2013 waarbij de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam appellant heeft vrijgesproken van mishandeling en van het opzettelijk valselijk opmaken van een

proces-verbaal.

3.2.

Namens de korpschef is gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Geweldsgebruik

4.1.

Uit de camerabeelden, die ter zitting van de Raad met partijen zijn bekeken en besproken, alsmede uit de verklaringen van betrokkenen, leidt de Raad het volgende af over de toedracht van het incident. Op het moment dat appellant aankwam bij zijn collega en arrestant M, was M onder controle en fysiek rustig. Ofschoon de camerabeelden niet van geluid zijn voorzien is op grond van de beelden en de verklaringen van de collega en van appellant zelf niet aannemelijk dat M zich op dat moment al verbaal agressief uitte. Hoe appellant er toe kwam de arrestant van zijn collega over te nemen is niet geheel duidelijk; de Raad neemt aan dat appellant M van het midden van de rijweg naar de zijkant van de weg wilde laten bewegen, om aldus op een veiliger plek op een politievoertuig te wachten. Op de beelden is te zien dat M na door appellant te zijn beetgepakt, enigszins schoorvoetend meebewoog; niet uitgesloten is dat appellant daaruit heeft geconcludeerd dat M tegenwerkte en nog steviger moest worden aangepakt. Of, en zo ja op welk moment, M verbaal geweld is gaan gebruiken over appellant en de politie is aan de hand van de beelden niet vast te stellen; de verklaringen van appellant en zijn collega daarover lopen uiteen. Duidelijk is te zien hoe appellant de arrestant aan de zijkant van de weg enige malen met kracht tegen een gevlochten hek met beplanting heeft aangedrukt, naar zijn zeggen om hem te fixeren. Het vervolg van de beelden, waarbij appellant naar zijn zeggen M op zijn knieën en vervolgens naar de grond wilde brengen om hem beter onder controle te krijgen, is minder duidelijk waarneembaar doordat de handeling zich grotendeels achter een geparkeerde auto afspeelt. Niet zichtbaar is of M bewegingen maakte waaruit appellant kon concluderen dat hij in staande toestand nog niet te vertrouwen was. Wel zichtbaar is dat appellant M omlaag probeert te brengen, waarbij hij hem op enig moment met een kniestoot in de maagstreek treft, en dat na heftig geduw en getrek betrokkenen - buiten zicht - op de grond belanden. Uit de dossierstukken blijkt niet dat M door deze gebeurtenissen letsel heeft opgelopen. Wel heeft hij verklaard dat hij een pijnlijke bult op het hoofd had.

4.2.

De vastgestelde feiten overziende staat voor de Raad vast dat appellant zonder objectieve aanleiding fysiek geweld heeft gebruikt jegens een geboeide arrestant die onder controle was; daarbij had de arrestant letsel kunnen oplopen. De korpschef heeft dit optreden terecht als een inbreuk bestempeld op de bijzondere eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid die van een politieambtenaar bij de toepassing van het geweldsmonopolie mag worden verwacht. De korpschef maakt daarbij terecht onderscheid tussen dit incident, waarbij onnodig geweld werd gebruikt tegen een rustige en onder controle zijnde verdachte, en andere incidenten, waarbij geweld tegen een weerspannige verdachte werd aangewend.

4.3.

Wel ziet de Raad enkele omstandigheden die de ernst van het incident relativeren. Van belang is dat alle geweldshandelingen, voor zover waarneembaar, plaatsvonden in het kader van het onder controle brengen en houden van de arrestant. Bovendien ging het, zoals appellant onweersproken heeft betoogd, om een eerste geconstateerde fout van deze soort, bij een overigens goede staat van dienst. Verder is aannemelijk dat appellant, zoals hij heeft verklaard, die nacht onder hoogspanning stond en buiten adem en vol stress en adrenaline was toen hij ter plekke aankwam. Niet uitgesloten is dat hij hierdoor, zoals hij heeft verklaard, de situatie niet goed heeft ingeschat en daardoor disproportioneel heeft gereageerd op al dan niet vermeende verbale en fysieke weerstand van M. Objectief gezien was er immers geen reëel gevaar te duchten van deze geboeide arrestant. Gelet op de genoemde omstandigheden vindt de Raad - in afwijking van de weging die namens de korpschef ter zitting van de Raad werd bepleit - onvoorwaardelijk ontslag een onevenredig zware straf voor het enkele geweldsincident. Hierna zal worden besproken of de overige elementen van het tenlastegelegde plichtsverzuim tot een andere conclusie moeten leiden.

Verantwoording en proces-verbaal

4.4.

Met betrekking tot de wijze waarop appellant intern verantwoording heeft afgelegd over het toegepaste geweld wordt geoordeeld dat appellant daarbij wel enigermate in gebreke is gebleven. Hij heeft weliswaar de volgende dag onverwijld aan zijn leidinggevende verteld dat sprake was geweest van geweldsgebruik bij de aanhouding, maar hij heeft daarbij - in afwijking van artikel 17 van de Ambtsinstructie voor de politie - onvoldoende opening van zaken gegeven over de feiten en omstandigheden van dat geweldgebruik. Ook heeft hij daarvan ten onrechte geen mutatie opgemaakt hoewel zijn leidinggevende daarom had gevraagd; naderhand heeft hij zelf erkend dat dat dom was en wel had gemoeten. Wat betreft het proces-verbaal van bevindingen dat werd opgesteld door appellant en de surveillant N die hem op de bewuste nacht vergezeld had, kan eveneens worden vastgesteld dat het deels een onvolledig beeld geeft van het optreden van appellant. Het toegepaste geweld komt daarin niet naar voren. Daarbij wordt echter opgemerkt dat dit mede kan zijn veroorzaakt, zoals appellant heeft gesteld, door de subjectieve andere beleving door appellant van dit incident. Bovendien betrof het een proces-verbaal van bevindingen, waarin de nadruk pleegt te liggen op de vermelding van feiten en omstandigheden met betrekking tot een (vermoedelijk) gepleegd strafbaar feit, en in mindere mate op het politieoptreden daarbij. Het gaat te ver om te concluderen dat het proces-verbaal niet naar waarheid is opgemaakt.

4.5.

Samengevat oordeelt de Raad dat de onder 4.4 genoemde feiten slechts in beperkte mate plichtsverzuim opleveren; namelijk het onvolledig afleggen van verantwoording aan de leidinggevende over het toegepaste geweld. Indien het gehele vaststaande plichtsverzuim en de relevante omstandigheden tezamen worden gewogen, is de straf van onvoorwaardelijk ontslag te zwaar. Ten overvloede wordt overwogen dat voorwaardelijk ontslag geen onevenredige bestraffing zou vormen.

4.6.

Dit betekent dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen voor vernietiging in aanmerking. De korpschef zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

5. Aanleiding bestaat de korpschef te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep aan kosten voor juridische bijstand, tezamen € 1.948,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 oktober 2012;

- draagt de korpschef op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 395,- vergoedt;

- veroordeelt de korpschef in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en C.H. Bangma en W.J. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2014.

(getekend) K.J. Kraan

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD