Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
15-01-2015
Zaaknummer
13-1944 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Beperkingen niet onderschat. Geschiktheid geselecteerde functies. Eerst in hoger beroep is afdoende toelichting gegeven op de signaleringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1944 WAO

Datum uitspraak: 21 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
1 maart 2013, 12/5005 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2014. Voor appellant is verschenen mr. P.E. Stam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 14 mei 2012 heeft het Uwv appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 juli 2012 ingetrokken.

1.2.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 mei 2012, waarna er een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige heroverweging heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te passen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens nieuwe functies geduid die leiden tot de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Het Uwv heeft bij besluit van 20 september 2012 (bestreden besluit) bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 15 juli 2012 wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft. Subsidiair is appellant van mening dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen over de vastgestelde beperkingen. Er dienen op grond van zijn psychische klachten meer beperkingen te worden opgenomen in de FML en op energetische gronden ligt ook een urenbeperking in de rede. Ten slotte stelt appellant dat er aanleiding is om een deskundige te benoemen omdat uit de tussen januari 2010 en januari 2013 vastgestelde GAF-scores kan worden opgemaakt dat appellant al jaren minimaal functioneert op grond van zijn psychische klachten.

3.2.

Het Uwv heeft, met verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 mei 2013, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De rechtbank heeft de beroepsgronden die zien op het standpunt van appellant dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft en dat er onvoldoende beperkingen zijn opgenomen in de FML op afdoende wijze besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsartsen, op basis van eigen onderzoek en na kennisname van informatie van deskundigen en behandelaars, terecht het standpunt hebben ingenomen dat appellant over arbeidsmogelijkheden beschikt en dat zij voldoende hebben gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van een situatie waarin hij vanwege een ernstige psychiatrische stoornis niet zelfredzaam is. Voorts kan het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsartsen de in de informatie van de behandelaars opgenomen diagnosen, therapie en voorgeschreven medicijnen, voldoende in de beoordeling hebben betrokken en dat de door appellant in beroep overgelegde informatie geen aanknopingspunten biedt voor twijfel aan het oordeel van de verzekeringsartsen worden onderschreven.

4.2.

De stelling van appellant in hoger beroep dat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen treft geen doel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op het hoger beroepschrift van appellant in het rapport van 22 mei 2013 inzichtelijk uiteengezet dat er geen aanleiding bestaat om de FML aan te passen. Er zijn geen aanwijzingen dat appellant niet zelfredzaam is. Dat appellant aansporing nodig heeft omdat hij zichzelf anders verwaarloost betekent niet dat hij niet tot zelfzorg in staat is. Voor een duurbeperking is geen aanleiding omdat er geen sprake is van een ernstige aandoening die leidt tot een verminderd basaal energetisch vermogen. Evenmin is sprake van verminderde beschikbaarheid voor arbeid door tijdsbeslag, door therapie of een preventieve indicatie omdat volledig werken in passend werk zou leiden tot schade aan de gezondheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht een psychiatrisch onderzoek niet noodzakelijk. De Raad heeft geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellant. Er is dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.3.

Met de vastgestelde beperkingen moet appellant in staat worden geacht de voor hem geselecteerde functies te verrichten. De Raad verwijst naar de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 september 2012 en 30 september 2014.

4.4.

Uit 4.1 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Nu eerst in hoger beroep afdoende is toegelicht dat appellant, ondanks de signaleringen, ook de functie productiemedewerker metaal, SBC-code 111171, kan uitoefenen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.948,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2014.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) K. de Jong

NW