Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:4456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
13-2372 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling buitenlandbijdrage. Niet tijdig ingeschreven bij bevoegd orgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2372 ZVW

Datum uitspraak: 31 december 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 maart 2013, 12/711 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Italië, (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) zijn de bevoegdheden van Cvz per

1 april 2014 overgegaan naar Zorginstituut. In deze uitspraak wordt onder Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant woont sinds augustus 2008 in Italië en ontvangt pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en pensioen van de Stichting Pensioenfonds Openbare Apothekers.

1.2.

Bij besluit van 7 oktober 2011 - gehandhaafd bij besluit van 3 januari 2012 (bestreden besluit) - heeft Zorginstituut de voorlopige jaarafrekening voor 2008 vastgesteld, waarbij de buitenlandbijdrage over 2008 voorlopig is bepaald op € 1.182,37.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 3 januari 2012 in verband met schending van de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde hoorplicht gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten, omdat de in beroep aangevoerde gronden niet tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit inhoudelijk onrechtmatig is.

3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten bestreden. Hij heeft aangevoerd dat hoewel uit de Verordening EEG nr. 1408/71 dwingend volgt dat in 2008 sprake is geweest van recht op zorg, deze zorg feitelijk niet kon worden verkregen, omdat het niet lukte om in Italië met het zogenoemde E-121 formulier ingeschreven te raken. Ten einde toch verzekerd te zijn van medische zorg heeft appellant naar zijn stelling een particuliere zorgverzekering moeten afsluiten. Nu hij met terugwerkende kracht ook de buitenlandbijdrage moet betalen lijdt hij schade.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank voor zover aangevochten. Met de rechtbank en onder verwijzing naar de door de rechtbank genoemde rechtspraak oordeelt de Raad dat de omstandigheid dat appellant niet (tijdig) is ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats, niet afdoet aan het in 2008 bestaand hebbend recht op verstrekkingen en de verplichting een buitenlandbijdrage te betalen. De door appellant geschetste omstandigheden dat hij problemen bij de (niet tijdige) inschrijving bij het bevoegde orgaan in Italië heeft ondervonden en dat hij juist alles in het werk heeft gesteld om zich tijdig in te schrijven maakt dit niet anders.

4.2.

Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Met hetgeen is overwogen onder 4.2 is gelet op artikel 8:73 van de Awb gegeven dat het verzoek om schadevergoeding afgewezen moet worden.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) D. van Wijk

MK